Een min of meer Joodse geschiedenis

Ons kamp
Een min of meer Joodse geschiedenis
Auteur:
M. Vuijsje
Genre:
Non-fictie – Literatuur & Poëzie

Uitgever:
Amstel Uitgevers
ISBN-nr:
9789045016177
Formaat:
Paperback
Verschenen februari 2012 Ons kamp

Vooruitkomen in de wereld. Daar ging het de Vuijsjes om. Hoe joodse tradities en socialistische verheffingsidealen de verschrikkingen van de oorlog overleefden.

Haar neven – Ies, André, Hans, Flip, Herman en Bert Vuijsje – gingen zelfs in hun puberteit tamelijk behoedzaam met hun ouders om, vanwege ‘de oorlog’. Marja daarentegen maakte van haar hart geen moordkuil. Wanneer haar vader ‘zijn standaardrepertoire’ over ‘dat rotkamp’ weer eens ten gehore bracht, verliet zij vaak stampvoetend de kamer. Niet vanwege de inhoud van de vertelde verhalen, maar omdat ze zich ergerde aan de eindeloze herhaling.

Maar uiteraard viel er niet aan te ontkomen ‘dat zijn kamp zich in mijn hoofd had genesteld’. Daar moest ze iets mee. Dat is uitgemond in een schitterend boek, Ons kamp – Een min of meer joodse geschiedenis, waarin Marja Vuijsje de geschiedenis van haar familie van vaderskant gedurende de voorbije eeuw vertelt. Het is het verhaal van een ‘min of meer’ joodse familie en tegelijk, benadrukt Vuijsje, ‘een Europese emancipatiegeschiedenis’.

Want Marja Vuijsjes grootouders, Isaac en Schoontje, begonnen hun bestaan in een armoedig steegje in de oude Amsterdamse Jodenhoek. In een éénkamerwoning zonder stromend water werden tussen 1907 en 1920 hun zes kinderen geboren, Bram, Alida, de enige dochter, Marja’s vader Nathan, Flip, Louis en Jaap. Opa Isaac bracht het al gauw van bakkersknecht tot filiaalchef, waardoor zijn uitgebreide gezin kon verhuizen naar een driekamerwoning in de Transvaalbuurt, een waar paleis vergeleken met het oude huis. Twee zoons, Flip en Louis, konden naar de hbs en daarna naar de kweekschool voor onderwijzers.

En dat was nog maar het begin van de sociale stijging. Midden in de zware economische crisis van de jaren dertig besloten Isaac en Schoontje een eigen bakkerij te beginnen, luxebakkerij Vuysje (met een y in plaats van ij, dat was chiquer) in de Weesperstraat. Ze werden tot dit avontuurlijke besluit aangezet doordat het de zoons in crisistijd niet lukte aan vast werk te komen; ze durfden de riskante investering aan indachtig Isaacs credo: ‘Wat er ook gebeurt, de mensen hebben altijd brood nodig’. De bakkerij, een echt familiebedrijf waar alle Vuijsjes bij betrokken waren, was een succes. In september 1940 openden Nathan en zijn eerste vrouw Liesje nog een filiaal in de Scheldestraat.

Marja Vuijsje verklaart het streven om zich te bevrijden uit de eeuwenoude armoede uit de inspiratie die uitging van de toenmalige sociaal-democratie. Een groot deel van het joodse proletariaat beschouwde socialistische voorlieden als Koos Vorrink en Henri Polak als hun nieuwe geestelijk leiders die de weg wezen naar een beter leven. Vuijsje schetst beknopt, maar overtuigend hoe socialistische verheffingsidealen en joodse tradities zich mengden in een uniek patroon: lezingen over Multatuli en vertoningen van avant-garde films in combinatie met matzes op Pesach en natuurlijk, als het tenminste te betalen was, kippensoep op vrijdagavond.

Ook in de naoorlogse periode ging de sociale emancipatie door; de familie Vuijsje lijkt in dit opzicht alweer representatief voor de bredere joodse gemeenschap in Nederland. ‘De kleinkinderen van Isaac en Schoontje hoorden allemaal bij de hogere middenklasse en woonden allemaal in nette buurten’, zoals Amsterdam-Zuid, Amstelveen of de grachtengordel. Een goede opleiding was voor hen vanzelfsprekend en materiële zekerheid ging ‘hand in hand met het gevoel dat de wereld voor hen openstond’.

Een echte successtory. Behalve dan dat van degenen die zich in het begin van de twintigste eeuw opmaakten om een betere plek in de wereld te veroveren een grote meerderheid het happy end nooit heeft beleefd. De Duitse bezetting, gevolgd door de Shoah, vormt hier een dodelijke cesuur, ook in de geschiedenis van de familie Vuijsje. Flip zat ondergedoken bij zijn niet-joodse vrouw Lies en hun zoontje; Bram, zijn eveneens niet-joodse eega Coba en hun kinderen doken ook onder en overleefden het, evenals Jaap en echtgenote To. Marja’s vader Nathan negeerde het protest van oma Schoontje die zijn twee kinderen veel te klein vond om van de ouders te worden gescheiden en liet ze onderduiken in Friesland. Zelf kwam hij – door verraad van zijn eigen vrouw die onder druk zijn verblijfplaats prijs gaf – via Westerbork naar Auschwitz. Zijn liefde voor muziek redde hem daar het leven, hij werd als trombonespeler toegelaten tot het kamporkest dat elke dag naast de poort met het bord ‘Arbeit macht frei’ moest spelen als de slavenarbeiders ‘s ochtends het kamp op weg naar het werk verlieten en er ‘s avonds weer terugkwamen. Ook de dodenmars naar Dachau overleefde Nathan wonder boven wonder, hij woog 45 kilo toen hij door de Amerikanen werd bevrijd. Pas echt vrij voelde hij zich, toen hij uit de trein stapte (een personentrein dit keer) op Amsterdam-Centraal. Marja’s opa en oma, Isaac en Schoontje werden in Sobibor vergast, haar tante Alida werd met oom Gerrit en hun twee kinderen in Auschwitz vermoord, net als haar oom Louis.

Het grootste deel van Ons kamp gaat erover hoe het de overlevende leden van de familie Vuijsje en hun nazaten – Marja zelf is van 1954 – verder is vergaan en hoe de ingrijpende oorlogsgebeurtenissen op hen hebben ingewerkt. Vuijsje plaatst de persoonlijke wederwaardigheden in de context van de steeds wisselende manieren van op de oorlog terugkijken, zoals flink moeten zijn en niet zeuren in de wederopbouwjaren, als zielige slachtoffers worden beschouwd vanaf de jaren zeventig en soms ook je moeten verdedigen tegen al te enthousiaste kritiek op Israël, het land waarover binnen de familie Vuijsje zeer verschillend wordt gedacht. Nergens wordt Vuijsjes relaas ook maar een seconde larmoyant, wat ik bijzonder knap vind. Ze treft precies de goede toon, ze schrijft sec maar meevoelend en vaak met milde spot of zelfspot. Neem bijvoorbeeld dit telefoongesprek tussen Nathan en Marja die hem opbelt vanuit Polen waar ze mee is met een reis van het Auschwitzcomité. ”Tijdens die herdenking moest ik wel een beetje huilen’, zei ik voor mijn doen openhartig. ‘Dat kan ik me indenken’, zei hij achteloos. ‘Hebben jullie verder wel een prettige reis?”
(Recensie door Anet Bleich, gepubliceerd op 13-02-2012)
http://www.volkskrant.nl/wca_item/boeken_detail/453/238893/Ons-kamp.html

ER wordt vaak beweert dat Joden rijk waren/zijn, onzin daar gaat dit boel ook over /ACZ

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s