de laatste dagen van Ernest Hemingway

Schrijver Auke Hulst moest en zou het graf van legende, ‘klootzak’ en schrijver Ernest Hemingway bezoeken. Een toevallige ontmoeting brengt hem – als een van de weinigen – in het huis waar de schrijver zich van het leven beroofde.

Foto AP

Ernest Hemingway was een klootzak. Vraag me naar zijn werk en dat is het eerste wat ik zal zeggen. Hij was een pestkop en een macho en hij stak de mensen die hem vooruit hielpen een mes in de rug zodra ze niet langer van nut waren. Hij was een man, zo schreef James Salter, „die in werk en leven een belediging nooit uit de weg ging”. Bokser, jager, visser, liefhebber van de bloederigste aller bloedsporten: stierenvechten.

En schrijven, nog zo’n bloedsport. Hemingway maakte zijn oude vriend F. Scott Fitzgerald belachelijk in The Snows of Kilimanjaro (1936), op het moment dat Scott, ‘that poor sonofabitch’, zijn donkere dronken dagen sleet nabij het gesticht waar zijn echtgenote was opgesloten. Iemand trappen die op de grond ligt, heel chic, Ernest. Maar verdomme, wat was je goed. En misschien, ik sta mezelf soms toe het te denken, was je toch geen klootzak.

Want waarom rij ik hier anders, voorbij het onaardse landschap van Craters of the Moon, westwaarts over de Idaho-20, en dan noordwaarts over de 75, tot het relatief vlakke land overgaat in de bergen van Sawtooth National Forest? Daar, naast het skiresort Sun Valley, ligt Ketchum, waar Hemingway in 1961 zelfmoord pleegde en begraven ligt. En dus niet, zoals velen denken, onder de zoden van Key West of met zicht op de haven van zijn geliefde Havana.

Hemingway leeft nog, en niet alleen voor Amerikanen of voor mij. In Nederland wordt zijn werk nog steeds herdrukt en gelezen, getuige nieuwe uitgaven van En de zon gaat op (in januari 2017 bij LJ Veen) en Parijs is een feest (afgelopen juni bij de Arbeiderspers).

Ik was van plan alleen zijn graf te bezoeken – dat moest en dat zou – maar toen, zoals dat gaat, gebeurde er iets. In Iowa City sprak ik schrijver Ethan Canin, die informeerde naar mijn plannen. Ik was halverwege mijn oversteek van de Oost- naar de Westkust – natte vingers roffelden zachtjes op de overkapping van de veranda. Ik wilde Hemingways graf zien, zei ik, en een foto maken van zijn laatste huis, de plek des onheils. Dat huis is niet toegankelijk voor publiek, wist ik, en al decennia in bezit van een natuurbeschermingsorganisatie die het in oorspronkelijke staat heeft gelaten. Canin overdacht dat even. „Het geval wil”, zei hij, „dat ik daar wat mensen ken. Ik mail ze wel even.”

Twee dagen later kreeg ik bericht: ik mocht het huis in.

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

De Idaho-variant van St. Moritz

Ketchum heeft iets Europees, valt me op. Keurige trottoirs, chalet-woningen, een supermarkt vol Marqt-achtige producten. Het is stil op straat: slechts een paar auto’s rollen in slakkengang van stopbord naar stopbord, een enkele grijsaard slentert in de late lentezon. Lang geleden, toen Idaho nog meer een uithoek was dan nu, bedacht de bestuursvoorzitter van de Union Pacific Railroad, ene W. Averell Harriman, dat het in Amerika aan een skiresort als St. Moritz of Davos ontbrak. Harriman nam een aan lager wal geraakte Oostenrijkse graaf in de arm, die erop uit werd gestuurd een geschikte locatie te vinden.

Begin 1936 stuitte graaf Schaffgotsch op de vallei bij Bald Mountain, waar Ketchum lag, dat in 1880 als mijnstadje was gesticht onder de naam Leadville. Sun Valley – de naam kwam uit de koker van een pr-goeroe – werd er pal naast gebouwd, en om ruchtbaarheid aan het project te geven, deed Harriman zijn best beroemdheden naar zijn resort te lokken. Hemingway, ook toen al meer mythe dan mens, verbleef in 1939 voor het eerst in de Sun Valley Lodge en zou nog vaak terugkeren, tot hij in 1959 in Ketchum voor 50.000 dollar een huis kocht van Bob Topping, de eigenaar van de New York Yankees.

De regio deed Hemingway denken aan Baskenland, waar hij veel tijd had doorgebracht en waarover hij geschreven had, ondermeer in The Sun Also Rises (1926). Ik snap die associatie. Zelfs nu nog trekken Baskische immigranten met hun huifkarren en hun kuddes de bergen rond Ketchum in.

Ernest Hemingway in de winter van 1960-1961.

Sober, met koperen muntjes

Nadat ik heb ingecheckt, rij ik naar de begraafplaats aan het eind van Main Street. Het is een keurig aangeharkt kerkhof, aan de voet van Morgan Ridge. ’s Werelds oudste skilift volgt de sneeuwvrije helling naar boven, de pistes vormen rechthoekige stroken in het bos, als een half afgemaakte ontharingsklus. Het is zondag en de toiletten zijn op slot. Dus water ik snel in de bosjes, me sterk bewust van de heiligschennis, want hier ergens ligt hij, de man die Papa werd genoemd, en die ongetwijfeld niet anders zou hebben gedaan.

Het is een bescheiden graf, zo blijkt. ‘Ernest Miller Hemingway, July 21. 1899, July 2. 1961’, meer staat er niet op. De platte steen ligt ingeklemd tussen naaldbomen, bezaaid met koperen muntjes. Geen handgeschreven brieven, geen persoonlijke artefacten. De schrijversgraven van Fitzgerald en Kerouac lagen er vol mee, herinner ik me. Zou Hemingways uitstraling het lastig maken zo’n band te voelen? Of willen fans zich niet laten kennen, omdat hij een man was, altijd een man, en mannen doen niet aan dat softe gedoe? Ik ook niet, blijkt. Dus maak ik wat notities over omringende graven: die van zijn vrouw Mary, die in hun huis bleef wonen tot haar dood in 1986, en zoon Jack, ‘One of nature’s noblemen’, die het huis nadien aan de The Nature Conservancy schonk. Angela Hovey Hemingway, Jacks vrouw, leeft nog, al ligt er al wel een graf op haar te wachten. Een duif koert, een kraai krast, merels fluiten, de bergwind is koel.

Ik hou ervan schrijversgraven te bezoeken. Dat maakt het echter, of zo

Al snel krijg ik gezelschap. Conny uit Oregon en haar zoon Rob uit Orange County, Californië. Ze zijn speciaal hiernaartoe gereden om Hemingways graf te zien. Zij is een vriendelijke dame met kort, op het oog geverfd haar, Rob is een beer van een kerel met een honkbalpetje op. Amerikanen. „Ik was vroeger lerares Engels”, vertelt ze. „Ik ken Hemingways werk goed. En ik hou ervan schrijversgraven te bezoeken. Dat maakt het echter, of zo. Ze gaan meer voor me leven, wat misschien een rare opmerking is bij een graf.”

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

„Toen ik jong was las ik veel”, zegt Rob, „maar nu zit ik met een pasgeboren tweeling. Misschien straks weer, als ze fatsoenlijk de nacht doorkomen. Ik werd gegrepen door For Whom the Bell Tolls. Je weet wel, dat boek over de Spaanse burgeroorlog. Maar ik hou vooral van zijn leven. Het avontuur. Jagen in Afrika! Ik ben in zijn huis op Key West geweest, dat nu een museum is, en heb daar in zijn ouwe stamkroeg zitten drinken voor ik de zee op ging om te vissen. De meeste mensen maken een kiekje en taaien weer af. Ik doe het liever goed.”
„Nog een marlijn gevangen?”, vraag ik.

De verwijzing tovert een brede glimlach op zijn gezicht. „Nee. Maar ik heb wel iets gevangen, hoor. I didn’t skunk out.”

Alles draait om Hemingway

In Ketchum en Sun Valley staat veel in het teken van Hemingway. In een koffiehuis is een oude bankkluis omgebouwd tot een werkruimte met een Hemingway-thema, op straat zie ik een fotomozaïek van dat iconische gezicht met de volle, grijze kapiteinsbaard. Ik maak een rondje door de Sun Valley Lodge, waar de gangen vol hangen met foto’s van beroemde gasten, waaronder natuurlijk Hemingway, en niet ver daar vandaan is op een heuveltje een monument voor hem opgericht: een buste met daaronder de tekst ‘best of all he loved the fall’. In de diepte maakt een grasmaaier rondjes over een golfbaan die in tweeën is gesneden door een beek van smeltwater.

Ik besluit tot een wandeling in de bergen waar Hemingway met vrienden ging jagen. We staan op het kruispunt van seizoenen: de eerste pollen dwarrelen tussen de laatste sneeuwvlokken. Het is rustig op de wandelpaden – de enige tegenliggers zijn twee locals die me toeroepen: „Stuur ons wat toeristen! Dit is een toeristenstad zonder toeristen!”
De wandeling geeft me tijd om na te denken. Wat bracht mij hier? Welke beslissingen? Welke toevalligheden?

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

De Grote Drie van het interbellum

In een duistere periode – letterlijk; ik was een jaar of twintig en zat midden in de winter zonder gas en elektra – las ik bij het licht van barbecue-aanmaakblokjes een biografie van F. Scott Fitzgerald. Het zou het begin worden van een obsessie met Amerikaanse schrijvers uit het interbellum, en dan vooral het drietal dat werd begeleid door redacteur Maxwell Perkins: Thomas Wolfe, Fitzgerald en Hemingway. Die laatste schreef als een bokser: afgemeten, trefzeker, hier een linkse directe, daar een uppercut, nooit bang voor conflicten of gevaar. In taal zonder opsmuk. „Oertaal”, aldus Salter, „de taal van een betere en waarachtigere wereld”.

Fitzgerald was muzikaler en kwetsbaarder. Een natuurtalent. Wolfe was een vulkaan die miljoenen woorden spuwde, waarna, op het moment dat de lava gestold was, met moeite een boek kon worden uitgehakt. Alledrie zouden ze voortijdig sterven. Gek, maar nu pas zie ik de link met mijn eigen vader, net als Hemingway een larger than life-figuur, met diezelfde brandkast-bouw, meerdere huwelijken, vele kinderen, het gas altijd ingetrapt, alsof hij zo sneller bij zijn graf kon komen. Wat lukte.

Mijn eerste betaalde schrijfklus was een serie over Perkins’ auteurs, die ik op diskette naar De Boekenpost stuurde. Vijftig gulden per artikel! Nadat mijn portret van Hemingway was verschenen, werd ik gebeld door een emeritus hoogleraar, die me op een foutje wees en sprak alsof hij een leerstoel onder mijn kont vermoedde. Ik was ongestudeerd en net uit bed gerold. We hadden het een tijdje over Hemingways stijl, die zo invloedrijk is geweest dat het lastig is het baanbrekende er nog van te zien. Omdat we die stijl kennen van zijn vele epigonen. Ik wist het gesprek te beëindigen voor ik me kon blameren.

Foto AP

In de laatste stamkroeg van Hemingway

Barkeeper Will Jennings ziet eruit als een ijshockeyfan, maar nu hij zich heeft losgerukt van de play-offs op het scherm, blijkt hij even makkelijk Sophocles aan te halen. Wat hij dan achter de bar doet? Een lach als een kanonschot. „Dat is wat Literatuur als hoofdvak je oplevert, dude.”

De Casino Dive Bar, Hemingways laatste stamcafé, is precies wat het woord dive suggereert, een drinkhol met rauwe randjes. Er staan drie pooltafels, er is een digitale jukebox, bij de plee hangt een foto van Papa aan de bar. Aan diezelfde toog hangt nu slechts een handjevol vage figuren. De lokale journalist. Drie verlopen dames die op te luide toon toespelingen maken. Een Mexicaan die voortdurend geagiteerd is omdat hij denkt voor een Arabier te worden aangezien. En Jason, een Irak-veteraan met een besmeurde honkbalpetje en een schichtige blik.

Dat is wat Hemingway in deze plek aantrok, zegt Will. Naast de natuur en het jagen. Het pretentieloze. Hier kon hij ontsnappen aan de verering en onder vrienden zijn. „The Family”. Ze dronken hier of bij hem thuis, waar de tv stond afgesteld op een bokswedstrijd of American Football.

Met wijsheid achteraf is het manisch-depressieve van Hemingway nogal evident. Hij pleegde roofbouw en was competitief zoals alleen mensen dat zijn die schreeuwen met een open wond

Ik drink gin en het gaat hard – Will schenkt met losse pols. Al snel gaat het over actuelere kwesties. Jason, een lange slungel uit Lebanon, Tennessee, haalt onophoudelijk herinneringen aan Irak op. Daar was hij tenminste iemand! US Marine Corps Corporal Jason Sellars! Mortierman! Maar toen was daar Fallujah, de grootste shitstorm die je je voor kunt stellen. Hij klopt met zijn knokkels op zijn schedelpan. Metalen plaat, zegt-ie. „Een soort gaas waar de schedel straks weer overheen groeit. Ik ben volledig afgekeurd. Hersentrauma. PTSS. De hele rimram.” Ik vraag hem of hij spijt heeft, maar nee, als het kon ging hij direct weer. Zoals Hemingway het gevaar bleef zoeken in oorlogsgebied en in Afrika.

Later spelen we pool en drinken we tot we nauwelijks nog kunnen staan. Ik praat het voor mezelf goed: dit is de ervaring, dit hoort erbij. Tot ik, diep in de nacht, zwalkend mijn hotelkamer bereik en voor het eerst in jaren van te dichtbij de toiletpot bestudeer.

Zelfmoord zat bij Hemingway in de familie. In 1928 schoot zijn vader zichzelf door het hoofd, terwijl de 13-jarige Leicester, Hemingways jongere broertje, in de kamer ernaast ziek te bed lag. Ook Leicester zou later zelfmoord plegen, net als een zoon en kleindochter van Hemingway. Met wijsheid achteraf is het manisch-depressieve van Hemingway nogal evident. Hij pleegde roofbouw en was competitief zoals alleen mensen dat zijn die schreeuwen met een open wond.

In de wijze waarop Papa het gevaar opzocht, sprak een nauwelijks verholen doodswens. Hij overleefde in 1954 niet een-, maar tweemaal een vliegtuigongeluk in Afrika, waarna kranten prematuur zijn necrologie afdrukten. Volgens vriend A.E. Hotchner las Hemingway daarna elke ochtend, onder het genot van champagne, de verzamelde doodsberichten. „The world breaks everyone and afterward many are strong in the broken places”, schreef hij in A Farewell to Arms. Maar de rest van de passage wordt vaak vergeten.

„But those that will not break it kills. It kills the very good and the very gentle and the very brave impartially.”

Hemingway was als schrijver jong op het schild gehesen. De romans The Sun Also Rises (1926) en A Farewell to Arms (1929) werden, net als zijn korte verhalen en zijn non-fictie, met lof overladen. Na een lange periode van creatieve terugval, revancheerde hij zich met The Old Man and the Sea (1952), waarna hij in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. In zijn korte dankwoord zei hij:

„Schrijven is, op zijn best, een eenzaam bestaan. (…) De schrijver doet zijn werk alleen en als hij goed genoeg is, moet hij elke dag de eeuwigheid in het gezicht kijken, of het gebrek daaraan.”

Aftakeling in de jaren 50

De gezondheidsklachten die hij aan de vliegtuigcrash had overgehouden, begonnen zich eind jaren vijftig te wreken. Maar hij weigerde gas terug te nemen. Hij reisde van Cuba, waar hij een finca had, naar Spanje en terug, ging jagen in Ketchum, en reageerde zijn frustraties af door onophoudelijk Mary af te kammen. Hij werkte als een bezetene aan een stuk voor Life over stierenvechten, maar leek te zijn vergeten dat het blad ‘slechts’ 10.000 woorden had gevraagd. Hemingway schreef er 120.000, een lijvig boek.

Hij kreeg last van zijn ogen, en vooral: van zijn hoofd. Paranoia beving hem: hij wist zeker dat hij belastingproblemen zou krijgen, dat jan-en-alleman het op hem voorzien had, zelfs de geheime dienst. Hij schaamde zich voor zijn toenemende kaalheid en huilde veel. Ouderdom was hem een gruwel, zoals hij al jong tegen zijn vader had gezegd: „Beter te sterven in de gelukkig tijd van de niet-gedesillusioneerde jeugd, ten onder te gaan in een vlammenzee, dan met een oud en afgeleefd lichaam te zitten, alle illusies aan puin.” Het was alsof de tijd hem uitholde. Mensen die hem lang niet gezien hadden schrokken van zijn blik, zijn plots dunne armen en benen, zijn bleke, bijna doorzichtige huid. Was dit de literaire He-man?

Vlak na de aanschaf van het huis in Ketchum werd Hemingway opgenomen in de Mayo-kliniek, waar hij wekenlang elektroshock onderging. De behandeling tastte zijn geheugen aan, zijn vermogen te schrijven. Weer thuis worstelde hij met zijn memoires over het Parijs van de jaren twintig. Dat alles was voorbij. Zelfs de herinnering eraan.

De laatste dagen

Twee weken voor zijn dood schreef Papa zijn laatste brief, aan het negen jaar oude zoontje van een bevriende arts uit Sun Valley. Dat jochie was met een hartaandoening in het ziekenhuis beland. Hemingway was zelf voor de tweede keer in de Mayo-kliniek opgenomen, nadat Mary hem had betrapt met een geweer. „Ik hoop dat we spoedig terug zullen zijn en kunnen lachen om onze ziekenhuisavonturen”, schreef hij. Om er in een post scriptum aan toe te voegen: „Voel me goed en in zijn algemeen heel opgewekt over de dingen en hoop jullie allen snel te zien”. Hemingway wist zelfs zijn artsen ervan te overtuigen dat hij best weer naar huis kon.

De fatale dag liet niet lang op zich wachten. Hemingway stond als altijd vroeg op, en hoewel Mary zijn wapens achter slot en grendel had verstopt, wist hij waar de sleutel lag: op het raamkozijn boven de spoelbak in de keuken. In zijn rode badjas ging hij stilletjes naar beneden. Koos een dubbelloops jachtgeweer. Liep toen naar het halletje, een ruimte zo klein als een biechtstoel. Hij liet de kolf op de grond rusten en bukte. De loop kuste zachtjes zijn voorhoofd, precies tussen zijn wenkbrauwen, zoals een moeder zou doen. Of nee, zijn voorhoofd kuste het koude metaal. Toen haalde hij de trekker over.

Bezoek aan Hemingways laatste huis

Dat ik nu dat huis mag bezoeken, heb ik te danken aan Jon Maksik en Dr. Jenny Davidson. Jon is gepensioneerd rector en een drijvende kracht achter de Sun Valley Writers’ Conference, Jenny is de directeur van de Community Library, waar ik ze ’s ochtends tref. Jenny vertelt kort hoe het huis in het bezit van The Nature Conservancy is gekomen, dat het als kantoor gebruikte toen er nog maar één personeelslid was. Ook geeft ze goedmoedig strenge instructies. Het is vooral niet de bedoeling dat ik binnen foto’s maak, want daar gaat een verkeerd signaal vanuit. Het is een woonwijk en mensen hebben geen trek in toeloop.

We rijden erheen in Jons terreinwagen – ik ben nog steeds misselijk en duf en kan mezelf wel voor mijn kop slaan, als die kop al niet van zichzelf pijn deed. Dat ik me voor mijn conditie verontschuldig, lijkt Jon te amuseren. „Ga dan ook niet naar de Casino Bar. De enige keer dat ik mijn vrouw dronken heb gezien, was toen ze daar vandaan kwam. Ze kroop door de kamer!”

Het huis is een chalet van gegoten beton dat eruit ziet als hout. Het is gelegen op een heuvel bedekt met gras, alsem en sparren, met uitzicht op de bergen en de meanderende Big Wood River. We gaan binnen door het halletje, de plek des onheils. Er staan kisten met duikapparatuur, door Jean-Jacques Cousteau vanaf de Bahamas verzonden aan Bob Topping, de oude eigenaar, en op een plankje liggen trommels met Toppings films over reizen naar Siam en Gibraltar. Ik probeer Hemingway’s laatste moment voor te stellen, maar het halletje is te vol, te druk. We gaan de woonkamer binnen. Een tijdmachine.

Het interieur lijkt, hoe vintage ook, vreemd genoeg ook te modern, tot ik bedenk dat Hemingway in mijn beleving iemand uit de jaren twintig en dertig is, niet uit de late jaren vijftig

Er is hier vrijwel niks veranderd sinds die julidag in 1961, zegt Jenny. De lambrisering is van gouden eik, en er is een beeldbuis ingebouwd van het merk RCA Fleetwood. De strakke meubels stammen allen uit de jaren vijftig, bij de haard hangen de opgezette koppen van een impala en een onyx, aan een kastje hangt een schets van Picasso voorzien van een persoonlijke boodschap. Ik neem aarzelend plaats op de bank en maak notities. Het is alsof ik ben binnengeslopen bij mensen die even van huis zijn. Mad Men-mensen. Het interieur lijkt, hoe vintage ook, vreemd genoeg ook te modern, tot ik bedenk dat Hemingway in mijn beleving iemand uit de jaren twintig en dertig is, niet uit de late jaren vijftig.

Ik vind het verbijsterend, zeg ik, dat Mary nooit iets heeft willen veranderen. Alsof ze het leven met haar dode echtgenoot heeft willen aantrekken als een warme jas. „Misschien was het haar manier Hemingway te eren”, suggereert Jenny. Het enige wat ze heeft gedaan, is een andere voordeur gebruiken, zodat ze niet elke dag in dat halletje hoefde te zijn.

We maken een rondje kamers. In de badkamer zoeken Jon en Jenny vergeefs naar de Papa- en Mama-handdoeken die bij hun laatste bezoek naast de wastafel hadden gehangen. Dan naar boven, naar de master bedroom, die voor Mary was. Hier staan wel oudere meubels, deels overgebracht uit Cuba. De kleinere slaapkamer was van Ernest. Hier werkte hij, zelfs toen het heel slecht met hem ging. „Elke morgen”, schreef zijn biograaf Carlos Baker, „bracht hij uren door in de achterkamer, staand aan zijn hoge bureau aan het raam, papieren heen en weer schuivend, nauwelijks zijn blik opheffend naar het glorieuze panorama van de bergen in het noorden.”

Ik sta ook een tijdje voor dat raam, vingers wrijvend over het bureaublad. Bizar. Het is alsof ik hem, dwars door de tijd, aanraak.

‘De mythe verstoort de magie van zijn werk’

Voor Jon is Hemingway de meest onderschatte van alle Amerikaanse schrijvers. Ik frons. Onderschat? „Onderschat, ja. De mythe staat in de weg. Daardoor zien mensen de magie van zijn beste werk niet meer.” Hij beschrijft een scène uit The Sun Also Rises, waarin verteller Jake Barnes een Spaanse kathedraal binnengaat, in gedachten over zijn gezelschap, de stierenvechters, zichzelf. Weer buiten, aldus Barnes, „waren de vingertoppen en mijn duim nog vochtig, en ik voelde ze drogen in de wind”. „Niet één keer heeft Hemingway het over wijwater”, zegt Jon. „Het is allemaal suggestie. Het zit allemaal onder het oppervlak. Dat is groots schrijven.”

Waarna we in een literaire discussie verzeilen die hier, op deze plek, als heiligschennis voelt, ook al had Hemingway zo’n discussie ongetwijfeld gewaardeerd.

Even alleen zijn in het halletje

Nadat ik buiten wat foto’s heb genomen, praten we even na op de oprit. De deur naar het halletje staat nog open, zie ik. Ik vraag om één minuutje en stap nog even binnen, om alleen te zijn, daar waar het licht uitging. Het is stil – ik hoor enkel de wind. Kijk dan naar mijn voeten. Hoe zou het zijn om in een dubbelloops geweer te kijken? Is dat het zwaarste moment, of is er al iets van opluchting? Onrust stuwt op van mijn borst naar mijn ogen, maar ik maak mezelf wijs dat dat de kater moet zijn.

Weer buiten zeg ik: „Toch best… aangrijpend”. En het gevoel woorden geven maakt het opeens dubbel waar. Jon zegt iets terug, maar ik kijk al weg, door de zoeker van mijn camera, alsof ik hoognodig nog wat foto’s van de bomen moet maken. Ik wil niet dat ze mijn tranen zien, zelfs al loop ik daardoor het risico dat ze denken: wat een klootzak.

Auke Hulst is roman- en reisschrijver. In oktober verscheen zijn roman. En ik herinner me Titus Broederland (Ambo|Anthos).

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s