Navo nerveus voor bezoek ‘ongedurig kind’ Trump

 

‘Minitop’ speciaal aangepast: korte speeches en niet te veel de diepte in

De Navo staat bol van de stress vanwege de komst van Donald Trump. In zijn bijzijn wordt donderdag het nieuwe hoofdkwartier geopend.

De ontwerpers omschrijven het gebouw als sober, stijlvol en ‘groen’. Dat past al niet erg bij de smaak van de Amerikaanse president. Maar hoe kan ook voor de rest worden voorkomen dat de licht ontvlambare Trump stikchagrijnig wordt, vragen de diplomaten van het bondgenootschap zich nerveus af.

Zij werden de afgelopen dagen volop afgetapt. Pikantste citaat: ‘Het is alsof zij zich voorbereiden op de komst van een kind.’ Een modern kind, dat ongedurig is, gauw wordt afgeleid, zich snel verveelt, veel aandacht vraagt en gaat dreinen als het niet krijgt wat het wil. Daarom heeft de Navo naar verluidt de overige leiders gevraagd: spreek kort, ga niet te veel de diepte in en hou wat snoepjes achter de hand.

Defensieuitgaven

Het programma van de ‘minitop’ in Brussel is ook speciaal op Trump toegesneden. De bijeenkomst, een drie uur durend werkdiner, staat in het teken van onderwerpen waarover Trump zich tijdens zijn verkiezingscampagne opwond. Hij fulmineerde tegen lidstaten van het Atlantische bondgenootschap die de VS financieel laten opdraaien voor hun veiligheid. En hij vond dat de Navo te weinig doet in de strijd tegen terrorisme, en daardoor ‘achterhaald’ is. Inmiddels heeft hij zijn toon gematigd, maar de schrik zat er bij de bondgenoten goed in. Daarom is het de bedoeling dat hij morgenavond ‘als een tevreden mens’ Brussel verlaat, wordt op het oude hoofdkwartier gezegd.

Trump is niet de eerste Amerikaanse president die erop hamert dat de meeste bondgenoten hun defensie-uitgaven drastisch moeten verhogen. Maar zijn ‘ongepolijste boodschap’, zoals het bij de Navo diplomatiek wordt geformuleerd, heeft wel druk op de ketel gezet. Trump suggereerde tijdens zijn campagne dat de VS bondgenoten in nood niet te hulp zullen schieten als ze hun financiële verplichtingen verzaken.

Om Trump volledig tevreden te stellen, zou een land als Duitsland jaarlijks tientallen miljarden euro extra aan defensie moeten besteden

De VS verlangen dat alle Navo-landen jaarlijks gedetailleerd uit de doeken doen hoe ze hun uitgaven gaan verhogen. Tijdens een Navo-top in Wales, in 2014, maakten regeringsleiders de afspraak dat ze in 2024 2 procent van het bruto nationaal product in hun landen zullen besteden aan defensie. De VS geven al aanzienlijk meer uit (ze nemen het overgrote deel van de Navo-uitgaven voor hun rekening), de meeste landen (ook Nederland) zitten ver onder het streefcijfer van 2 procent.

Om Trump volledig tevreden te stellen, zou een land als Duitsland jaarlijks tientallen miljarden euro extra aan defensie moeten besteden. Dat is niet realistisch, zeggen Navo-functionarissen. Duitsland wijst er fijntjes op dat het defensiebudget dan groter zou zijn dan dat van Rusland. Duitsland, Canada en andere landen stellen dat ze weliswaar de 2 procent niet halen, maar wel wereldwijd troepen inzetten. Het gaat niet alleen om de hoogte van het budget, redeneren die landen, maar ook om een zinvolle besteding ervan.

Strijd tegen IS

Het nieuwe hoofdkantoor van de Navo.
Het nieuwe hoofdkantoor van de Navo. © AFP

Om die reden valt er volgens de bondgenoten ook wel wat af te dingen op Trumps bewering dat de Navo tekort schiet in de strijd tegen het terrorisme. Alle bondgenoten leveren op individuele basis een bijdrage aan de anti-IS-coalitie onder Amerikaanse leiding. Maar met het bombarderen van Islamitische Staat in Syrië en Irak roei je de radicale islam niet uit, is de zienswijze in veel landen. Naarmate het kalifaat krimpt, keren steeds meer IS-strijders terug naar hun land van herkomst. In dat besef traint de Navo sinds kort elite-eenheden in Tunesië, dat een belangrijke ‘leverancier’ is van IS-strijders. Ook Iraakse militairen worden door Navo-collega’s opgeleid. De Irakezen moeten voorkomen dat hun land opnieuw ten prooi valt aan terroristen.

Ondanks alle bedenkingen is het de verwachting van diplomaten dat de Navo zich donderdag ook als instelling officieel aansluit bij de anti-IS-coalitie. Inderdaad, om een tevreden tweet van Trump tegemoet te zien. In de praktijk zal de rol van de Navo bescheiden zijn, zo heet het. Zij zal niet per se op elk verzoek vanuit Washington ‘ja’ zeggen. Navo-chef Jens Stoltenberg zei vorige week dat zijn bondgenootschap zeker geen gevechtstaken op zich zal nemen. Duitsland en Frankrijk verzetten zich tegen een grotere rol voor de NAVO in Syrië en Irak. Zij zijn bang dat het bondgenootschap wordt meegesleept in een nieuwe Afghanistan-achtige operatie, even kostbaar als moeizaam. Ook zijn ze bang voor een confrontatie van de alliantie met Rusland in Syrië. De Navo heeft overigens amper eigen materieel (zoals Awacs-spionagevliegtuigen die al worden ingezet), het zijn de afzonderlijke landen die over de militaire middelen en mankracht beschikken.

Afghanistan

Te elfder ure hebben de VS nog een derde onderwerp voor de minitop aangemeld: uitbreiding van de trainingsmissie in Afghanistan. Momenteel trainen ruim 13 duizend Navo-militairen, merendeels Amerikanen, de Afghaanse veiligheids-troepen (leger en politie). De recente opmars van de Taliban noopt tot een uitbreiding van de missie met enkele duizenden militairen. Ook op Nederland, met circa honderd man aanwezig in Afghanistan, zal een beroep worden gedaan.

Het oude hoofdkwartier was ‘een uitgewoonde school’

Het oude hoofdkantoor van de Navo in Brussel.
Het oude hoofdkantoor van de Navo in Brussel. © EPA

Toen koning Willem-Alexander onlangs een bezoek bracht aan het oude Navo-hoofdkwartier, kreeg de privé-dinerzaal van secretaris-generaal Jens Stoltenberg in allerijl een likje verf. De bescheiden ruimte, met systeemplafond en ingebouwde spotjes, is nog een van de fraaiste plekken in het gebouw dat door gebruikers wordt omgeschreven als ‘een uitgewoonde school’.

Het grootste deel werd uit de grond gestampt in 1967, nadat Frankrijk (waar de Navo zetelde) zich had teruggetrokken uit de militaire tak van het bondgenootschap. Het besluit tot nieuwbouw werd eind vorige eeuw genomen, toen de Navo 19 lidstaten telde. Nieuwe leden uit Midden-en Oost-Europa werden sindsdien ondergebracht in gestapelde containers. Het nieuwe hoofdkwartier, op enkele honderden meters afstand, is ‘gebouwd op de groei’ van het bondgenootschap dat met de toetreding van Montenegro binnenkort 29 lidstaten telt. De nieuwbouw heeft circa 1,1 miljard euro gekost. Dat bedrag ligt zo’n 10 procent boven de geraamde kosten.

De kostenstijging en de jarenlange vertraging van de oplevering worden vooral veroorzaakt door extra veiligheidsvoorzieningen.Het ‘kostenplaatje’ ziet er anders uit als er rekening gehouden wordt met ingeboekte besparingen. Dankzij allerlei technische snufjes ligt het energieverbruik 30 procent lager dan in het oude gebouw; regenwater wordt opgevangen voor het gebruik van sanitaire voorzieningen (en een zwembad), en het immense parkeerterrein is aangelegd met gerecyclede brokstukken van het oude complex. Het Nederlandse constructiebedrijf BAM vormt de spil van een internationaal consortium dat verantwoordelijk is voor de nieuwbouw. Het zal president Trump deugd doen dat ook een Amerikaans bedrijf (Lockheed Martin) een bijdrage leverde.

De verhuizing is niet zonder symboliek: het oude afgetrapte gebouw, dat de morsigheid had van een schimmig snookercafé in een achterstandswijk, wordt ingeruild voor een glanzende mastodont van glas en beton, zoals het Belgische tijdschrift Knack het typeert. Het 68 jaar oude bondgenootschap demonstreert daarmee zijn geloof in de toekomst. Niet iedereen had verwacht dat het na de val van Muur in 1989 het wegvallen van de grote Sovjetvijand zou overleven. Nu staan landen te dringen om erbij te mogen horen. Zelfs de oude vijand uit het oosten is weer een beetje terug, in de vorm van Poetins assertieve Rusland.

De Russen maken volop stemming tegen het nieuwe Navo-hoofdkwartier. Waar de ontwerper met het ontwerp het beeld van verstrengelde vingers wil oproepen, als symbool van de verbondenheid van de lidstaten, zeggen de Russen er de runentekens van de SS in te herkennen. Bij het bouwen is er goed opgelet dat er geen afluisterapparatuur werd binnengesmokkeld. De Amerikanen moesten al eens om die reden hun ambassade in Moskou volledig afbreken. In het nieuwe Navo-gebouw is voor zover bekend niets verdachts aangetroffen, zegt een Belgische projectleider in Knack.

Het nieuwe Navo-hoofdkantoor.

als niets lukt moet Buma met links aan tafel

Roemer over samenwerken met VVD: het blijft nee

Foto ANP / Martijn Beekman

“Het is een nee, het was een nee en ga er maar van uit dat het een nee blijft.” Aldus SP-leider Emile Roemer zojuist na zijn tweede gesprek met informateur Edith Schippers. Roemer was nogmaals door Schippers uitgenodigd omdat meerdere partijen hebben aangegeven dat zij graag zouden zien dat de SP om tafel gaat met VVD, CDA en D66, al was het maar voor een verkennend gesprek. Maar Roemer blijft de VVD uitsluiten als mogelijke coalitiepartner en weigert dus om zo’n gesprek aan te gaan.

Grote vraag is wat informateur Edith Schippers nu gaat doen, aangezien de impasse rond de formatie op deze manier in stand blijft.

Buket Mersin (24) haalt het beste uit Turkse en Nederlandse cultuur

‘Nooit ben ik door mijn afkomst belemmerd in mijn carrière’

Buket Mersin (24) haalt het beste uit Turkse en Nederlandse cultuur

Buket Mersin (24) nam vorig jaar deel aan het jongerenonderzoek. Ze is blij dat ‘er veel meer jongeren zijn met een migratieachtergrond met een positieve mindset’.

‘Ik heb voor accountancy gestudeerd en ik werk nu voltijds bij de firma Deloitte. Ik ben er trots op dat ik dit heb bereikt op mijn leeftijd. Ik heb veel vertrouwen in de toekomst, ik geloof dat je veel kunt bereiken als je ernaartoe werkt. Ik ben ook blij om te horen dat uit het onderzoek blijkt dat er veel meer jongeren zijn met een migratieachtergrond met een positieve mindset.

‘Mijn beide ouders zijn in Turkije geboren. Ze zijn jong naar Nederland gekomen en hebben gestudeerd. Mijn moeder werkte als tandartsassistente, mijn vader in de ict. Vanuit huis heb ik zowel de Nederlandse als de Turkse cultuur meegekregen, ik probeer het beste te halen uit beide culturen.

Ik rolde door sollicitatieprocedures heen en kon na mijn opleiding meteen starten op een mooi kantoor

De toekomst ligt open voor Miek én Asmaa

Afkomst speelt geen rol bij het toekomstbeeld van jongeren. Zo is het ook bij Miek en Asmaa, al weten ze dat er discriminatie is op de arbeidsmarkt.

‘Ik ben opgegroeid in Rotterdam-Zuid, waar veel niet-Nederlandse jongeren wonen. Mijn ouders hebben me bewust naar een basisschool gestuurd in een ander deel van de stad waar bijna geen buitenlanders op zaten. Mijn middelbare school was wel weer heel gemengd.

‘Ik heb nooit het idee gehad dat ik door mijn niet-Nederlandse afkomst ben belemmerd in mijn carrière. Alles ging heel voorspoedig, ik rolde door sollicitatieprocedures heen en kon na mijn opleiding meteen starten op een mooi kantoor. Ik heb nooit discriminatie ervaren. Ik wil ook in Nederland blijven wonen. In Turkije is er toch meer hiërarchie in het bedrijfsleven, dat ben ik niet gewend.

Ik hoop dat de politiek dit onderzoek goed leest en ziet hoeveel kracht er zit in deze generatie jongeren

‘Ik hoop dat de politiek dit onderzoek goed leest en ziet hoeveel kracht er zit in deze generatie jongeren. Ouders spelen natuurlijk een grote rol. Mijn ouders hebben me altijd gesteund en gemotiveerd. Wanneer ouders hun kinderen stimuleren om met diverse culturen in aanraking te komen en zichzelf zo goed mogelijk te ontwikkelen, dan zal een kind zich later ook beter redden in de maatschappij. En ik heb ook het gevoel dat jongeren van verschillende afkomst nu meer contact met elkaar hebben dan vroeger. Ik hou het nieuws zo veel mogelijk buiten, ik wil het negatieve ontwijken. In mijn omgeving weten ze precies wie ik ben.’  bron / VK

 

de laatste dagen van Ernest Hemingway

Schrijver Auke Hulst moest en zou het graf van legende, ‘klootzak’ en schrijver Ernest Hemingway bezoeken. Een toevallige ontmoeting brengt hem – als een van de weinigen – in het huis waar de schrijver zich van het leven beroofde.

Foto AP

Ernest Hemingway was een klootzak. Vraag me naar zijn werk en dat is het eerste wat ik zal zeggen. Hij was een pestkop en een macho en hij stak de mensen die hem vooruit hielpen een mes in de rug zodra ze niet langer van nut waren. Hij was een man, zo schreef James Salter, „die in werk en leven een belediging nooit uit de weg ging”. Bokser, jager, visser, liefhebber van de bloederigste aller bloedsporten: stierenvechten.

En schrijven, nog zo’n bloedsport. Hemingway maakte zijn oude vriend F. Scott Fitzgerald belachelijk in The Snows of Kilimanjaro (1936), op het moment dat Scott, ‘that poor sonofabitch’, zijn donkere dronken dagen sleet nabij het gesticht waar zijn echtgenote was opgesloten. Iemand trappen die op de grond ligt, heel chic, Ernest. Maar verdomme, wat was je goed. En misschien, ik sta mezelf soms toe het te denken, was je toch geen klootzak.

Want waarom rij ik hier anders, voorbij het onaardse landschap van Craters of the Moon, westwaarts over de Idaho-20, en dan noordwaarts over de 75, tot het relatief vlakke land overgaat in de bergen van Sawtooth National Forest? Daar, naast het skiresort Sun Valley, ligt Ketchum, waar Hemingway in 1961 zelfmoord pleegde en begraven ligt. En dus niet, zoals velen denken, onder de zoden van Key West of met zicht op de haven van zijn geliefde Havana.

Hemingway leeft nog, en niet alleen voor Amerikanen of voor mij. In Nederland wordt zijn werk nog steeds herdrukt en gelezen, getuige nieuwe uitgaven van En de zon gaat op (in januari 2017 bij LJ Veen) en Parijs is een feest (afgelopen juni bij de Arbeiderspers).

Ik was van plan alleen zijn graf te bezoeken – dat moest en dat zou – maar toen, zoals dat gaat, gebeurde er iets. In Iowa City sprak ik schrijver Ethan Canin, die informeerde naar mijn plannen. Ik was halverwege mijn oversteek van de Oost- naar de Westkust – natte vingers roffelden zachtjes op de overkapping van de veranda. Ik wilde Hemingways graf zien, zei ik, en een foto maken van zijn laatste huis, de plek des onheils. Dat huis is niet toegankelijk voor publiek, wist ik, en al decennia in bezit van een natuurbeschermingsorganisatie die het in oorspronkelijke staat heeft gelaten. Canin overdacht dat even. „Het geval wil”, zei hij, „dat ik daar wat mensen ken. Ik mail ze wel even.”

Twee dagen later kreeg ik bericht: ik mocht het huis in.

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

De Idaho-variant van St. Moritz

Ketchum heeft iets Europees, valt me op. Keurige trottoirs, chalet-woningen, een supermarkt vol Marqt-achtige producten. Het is stil op straat: slechts een paar auto’s rollen in slakkengang van stopbord naar stopbord, een enkele grijsaard slentert in de late lentezon. Lang geleden, toen Idaho nog meer een uithoek was dan nu, bedacht de bestuursvoorzitter van de Union Pacific Railroad, ene W. Averell Harriman, dat het in Amerika aan een skiresort als St. Moritz of Davos ontbrak. Harriman nam een aan lager wal geraakte Oostenrijkse graaf in de arm, die erop uit werd gestuurd een geschikte locatie te vinden.

Begin 1936 stuitte graaf Schaffgotsch op de vallei bij Bald Mountain, waar Ketchum lag, dat in 1880 als mijnstadje was gesticht onder de naam Leadville. Sun Valley – de naam kwam uit de koker van een pr-goeroe – werd er pal naast gebouwd, en om ruchtbaarheid aan het project te geven, deed Harriman zijn best beroemdheden naar zijn resort te lokken. Hemingway, ook toen al meer mythe dan mens, verbleef in 1939 voor het eerst in de Sun Valley Lodge en zou nog vaak terugkeren, tot hij in 1959 in Ketchum voor 50.000 dollar een huis kocht van Bob Topping, de eigenaar van de New York Yankees.

De regio deed Hemingway denken aan Baskenland, waar hij veel tijd had doorgebracht en waarover hij geschreven had, ondermeer in The Sun Also Rises (1926). Ik snap die associatie. Zelfs nu nog trekken Baskische immigranten met hun huifkarren en hun kuddes de bergen rond Ketchum in.

Ernest Hemingway in de winter van 1960-1961.

Sober, met koperen muntjes

Nadat ik heb ingecheckt, rij ik naar de begraafplaats aan het eind van Main Street. Het is een keurig aangeharkt kerkhof, aan de voet van Morgan Ridge. ’s Werelds oudste skilift volgt de sneeuwvrije helling naar boven, de pistes vormen rechthoekige stroken in het bos, als een half afgemaakte ontharingsklus. Het is zondag en de toiletten zijn op slot. Dus water ik snel in de bosjes, me sterk bewust van de heiligschennis, want hier ergens ligt hij, de man die Papa werd genoemd, en die ongetwijfeld niet anders zou hebben gedaan.

Het is een bescheiden graf, zo blijkt. ‘Ernest Miller Hemingway, July 21. 1899, July 2. 1961’, meer staat er niet op. De platte steen ligt ingeklemd tussen naaldbomen, bezaaid met koperen muntjes. Geen handgeschreven brieven, geen persoonlijke artefacten. De schrijversgraven van Fitzgerald en Kerouac lagen er vol mee, herinner ik me. Zou Hemingways uitstraling het lastig maken zo’n band te voelen? Of willen fans zich niet laten kennen, omdat hij een man was, altijd een man, en mannen doen niet aan dat softe gedoe? Ik ook niet, blijkt. Dus maak ik wat notities over omringende graven: die van zijn vrouw Mary, die in hun huis bleef wonen tot haar dood in 1986, en zoon Jack, ‘One of nature’s noblemen’, die het huis nadien aan de The Nature Conservancy schonk. Angela Hovey Hemingway, Jacks vrouw, leeft nog, al ligt er al wel een graf op haar te wachten. Een duif koert, een kraai krast, merels fluiten, de bergwind is koel.

Ik hou ervan schrijversgraven te bezoeken. Dat maakt het echter, of zo

Al snel krijg ik gezelschap. Conny uit Oregon en haar zoon Rob uit Orange County, Californië. Ze zijn speciaal hiernaartoe gereden om Hemingways graf te zien. Zij is een vriendelijke dame met kort, op het oog geverfd haar, Rob is een beer van een kerel met een honkbalpetje op. Amerikanen. „Ik was vroeger lerares Engels”, vertelt ze. „Ik ken Hemingways werk goed. En ik hou ervan schrijversgraven te bezoeken. Dat maakt het echter, of zo. Ze gaan meer voor me leven, wat misschien een rare opmerking is bij een graf.”

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

„Toen ik jong was las ik veel”, zegt Rob, „maar nu zit ik met een pasgeboren tweeling. Misschien straks weer, als ze fatsoenlijk de nacht doorkomen. Ik werd gegrepen door For Whom the Bell Tolls. Je weet wel, dat boek over de Spaanse burgeroorlog. Maar ik hou vooral van zijn leven. Het avontuur. Jagen in Afrika! Ik ben in zijn huis op Key West geweest, dat nu een museum is, en heb daar in zijn ouwe stamkroeg zitten drinken voor ik de zee op ging om te vissen. De meeste mensen maken een kiekje en taaien weer af. Ik doe het liever goed.”
„Nog een marlijn gevangen?”, vraag ik.

De verwijzing tovert een brede glimlach op zijn gezicht. „Nee. Maar ik heb wel iets gevangen, hoor. I didn’t skunk out.”

Alles draait om Hemingway

In Ketchum en Sun Valley staat veel in het teken van Hemingway. In een koffiehuis is een oude bankkluis omgebouwd tot een werkruimte met een Hemingway-thema, op straat zie ik een fotomozaïek van dat iconische gezicht met de volle, grijze kapiteinsbaard. Ik maak een rondje door de Sun Valley Lodge, waar de gangen vol hangen met foto’s van beroemde gasten, waaronder natuurlijk Hemingway, en niet ver daar vandaan is op een heuveltje een monument voor hem opgericht: een buste met daaronder de tekst ‘best of all he loved the fall’. In de diepte maakt een grasmaaier rondjes over een golfbaan die in tweeën is gesneden door een beek van smeltwater.

Ik besluit tot een wandeling in de bergen waar Hemingway met vrienden ging jagen. We staan op het kruispunt van seizoenen: de eerste pollen dwarrelen tussen de laatste sneeuwvlokken. Het is rustig op de wandelpaden – de enige tegenliggers zijn twee locals die me toeroepen: „Stuur ons wat toeristen! Dit is een toeristenstad zonder toeristen!”
De wandeling geeft me tijd om na te denken. Wat bracht mij hier? Welke beslissingen? Welke toevalligheden?

Foto Getty Images, AP

Foto Getty Images, AP

De Grote Drie van het interbellum

In een duistere periode – letterlijk; ik was een jaar of twintig en zat midden in de winter zonder gas en elektra – las ik bij het licht van barbecue-aanmaakblokjes een biografie van F. Scott Fitzgerald. Het zou het begin worden van een obsessie met Amerikaanse schrijvers uit het interbellum, en dan vooral het drietal dat werd begeleid door redacteur Maxwell Perkins: Thomas Wolfe, Fitzgerald en Hemingway. Die laatste schreef als een bokser: afgemeten, trefzeker, hier een linkse directe, daar een uppercut, nooit bang voor conflicten of gevaar. In taal zonder opsmuk. „Oertaal”, aldus Salter, „de taal van een betere en waarachtigere wereld”.

Fitzgerald was muzikaler en kwetsbaarder. Een natuurtalent. Wolfe was een vulkaan die miljoenen woorden spuwde, waarna, op het moment dat de lava gestold was, met moeite een boek kon worden uitgehakt. Alledrie zouden ze voortijdig sterven. Gek, maar nu pas zie ik de link met mijn eigen vader, net als Hemingway een larger than life-figuur, met diezelfde brandkast-bouw, meerdere huwelijken, vele kinderen, het gas altijd ingetrapt, alsof hij zo sneller bij zijn graf kon komen. Wat lukte.

Mijn eerste betaalde schrijfklus was een serie over Perkins’ auteurs, die ik op diskette naar De Boekenpost stuurde. Vijftig gulden per artikel! Nadat mijn portret van Hemingway was verschenen, werd ik gebeld door een emeritus hoogleraar, die me op een foutje wees en sprak alsof hij een leerstoel onder mijn kont vermoedde. Ik was ongestudeerd en net uit bed gerold. We hadden het een tijdje over Hemingways stijl, die zo invloedrijk is geweest dat het lastig is het baanbrekende er nog van te zien. Omdat we die stijl kennen van zijn vele epigonen. Ik wist het gesprek te beëindigen voor ik me kon blameren.

Foto AP

In de laatste stamkroeg van Hemingway

Barkeeper Will Jennings ziet eruit als een ijshockeyfan, maar nu hij zich heeft losgerukt van de play-offs op het scherm, blijkt hij even makkelijk Sophocles aan te halen. Wat hij dan achter de bar doet? Een lach als een kanonschot. „Dat is wat Literatuur als hoofdvak je oplevert, dude.”

De Casino Dive Bar, Hemingways laatste stamcafé, is precies wat het woord dive suggereert, een drinkhol met rauwe randjes. Er staan drie pooltafels, er is een digitale jukebox, bij de plee hangt een foto van Papa aan de bar. Aan diezelfde toog hangt nu slechts een handjevol vage figuren. De lokale journalist. Drie verlopen dames die op te luide toon toespelingen maken. Een Mexicaan die voortdurend geagiteerd is omdat hij denkt voor een Arabier te worden aangezien. En Jason, een Irak-veteraan met een besmeurde honkbalpetje en een schichtige blik.

Dat is wat Hemingway in deze plek aantrok, zegt Will. Naast de natuur en het jagen. Het pretentieloze. Hier kon hij ontsnappen aan de verering en onder vrienden zijn. „The Family”. Ze dronken hier of bij hem thuis, waar de tv stond afgesteld op een bokswedstrijd of American Football.

Met wijsheid achteraf is het manisch-depressieve van Hemingway nogal evident. Hij pleegde roofbouw en was competitief zoals alleen mensen dat zijn die schreeuwen met een open wond

Ik drink gin en het gaat hard – Will schenkt met losse pols. Al snel gaat het over actuelere kwesties. Jason, een lange slungel uit Lebanon, Tennessee, haalt onophoudelijk herinneringen aan Irak op. Daar was hij tenminste iemand! US Marine Corps Corporal Jason Sellars! Mortierman! Maar toen was daar Fallujah, de grootste shitstorm die je je voor kunt stellen. Hij klopt met zijn knokkels op zijn schedelpan. Metalen plaat, zegt-ie. „Een soort gaas waar de schedel straks weer overheen groeit. Ik ben volledig afgekeurd. Hersentrauma. PTSS. De hele rimram.” Ik vraag hem of hij spijt heeft, maar nee, als het kon ging hij direct weer. Zoals Hemingway het gevaar bleef zoeken in oorlogsgebied en in Afrika.

Later spelen we pool en drinken we tot we nauwelijks nog kunnen staan. Ik praat het voor mezelf goed: dit is de ervaring, dit hoort erbij. Tot ik, diep in de nacht, zwalkend mijn hotelkamer bereik en voor het eerst in jaren van te dichtbij de toiletpot bestudeer.

Zelfmoord zat bij Hemingway in de familie. In 1928 schoot zijn vader zichzelf door het hoofd, terwijl de 13-jarige Leicester, Hemingways jongere broertje, in de kamer ernaast ziek te bed lag. Ook Leicester zou later zelfmoord plegen, net als een zoon en kleindochter van Hemingway. Met wijsheid achteraf is het manisch-depressieve van Hemingway nogal evident. Hij pleegde roofbouw en was competitief zoals alleen mensen dat zijn die schreeuwen met een open wond.

In de wijze waarop Papa het gevaar opzocht, sprak een nauwelijks verholen doodswens. Hij overleefde in 1954 niet een-, maar tweemaal een vliegtuigongeluk in Afrika, waarna kranten prematuur zijn necrologie afdrukten. Volgens vriend A.E. Hotchner las Hemingway daarna elke ochtend, onder het genot van champagne, de verzamelde doodsberichten. „The world breaks everyone and afterward many are strong in the broken places”, schreef hij in A Farewell to Arms. Maar de rest van de passage wordt vaak vergeten.

„But those that will not break it kills. It kills the very good and the very gentle and the very brave impartially.”

Hemingway was als schrijver jong op het schild gehesen. De romans The Sun Also Rises (1926) en A Farewell to Arms (1929) werden, net als zijn korte verhalen en zijn non-fictie, met lof overladen. Na een lange periode van creatieve terugval, revancheerde hij zich met The Old Man and the Sea (1952), waarna hij in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. In zijn korte dankwoord zei hij:

„Schrijven is, op zijn best, een eenzaam bestaan. (…) De schrijver doet zijn werk alleen en als hij goed genoeg is, moet hij elke dag de eeuwigheid in het gezicht kijken, of het gebrek daaraan.”

Aftakeling in de jaren 50

De gezondheidsklachten die hij aan de vliegtuigcrash had overgehouden, begonnen zich eind jaren vijftig te wreken. Maar hij weigerde gas terug te nemen. Hij reisde van Cuba, waar hij een finca had, naar Spanje en terug, ging jagen in Ketchum, en reageerde zijn frustraties af door onophoudelijk Mary af te kammen. Hij werkte als een bezetene aan een stuk voor Life over stierenvechten, maar leek te zijn vergeten dat het blad ‘slechts’ 10.000 woorden had gevraagd. Hemingway schreef er 120.000, een lijvig boek.

Hij kreeg last van zijn ogen, en vooral: van zijn hoofd. Paranoia beving hem: hij wist zeker dat hij belastingproblemen zou krijgen, dat jan-en-alleman het op hem voorzien had, zelfs de geheime dienst. Hij schaamde zich voor zijn toenemende kaalheid en huilde veel. Ouderdom was hem een gruwel, zoals hij al jong tegen zijn vader had gezegd: „Beter te sterven in de gelukkig tijd van de niet-gedesillusioneerde jeugd, ten onder te gaan in een vlammenzee, dan met een oud en afgeleefd lichaam te zitten, alle illusies aan puin.” Het was alsof de tijd hem uitholde. Mensen die hem lang niet gezien hadden schrokken van zijn blik, zijn plots dunne armen en benen, zijn bleke, bijna doorzichtige huid. Was dit de literaire He-man?

Vlak na de aanschaf van het huis in Ketchum werd Hemingway opgenomen in de Mayo-kliniek, waar hij wekenlang elektroshock onderging. De behandeling tastte zijn geheugen aan, zijn vermogen te schrijven. Weer thuis worstelde hij met zijn memoires over het Parijs van de jaren twintig. Dat alles was voorbij. Zelfs de herinnering eraan.

De laatste dagen

Twee weken voor zijn dood schreef Papa zijn laatste brief, aan het negen jaar oude zoontje van een bevriende arts uit Sun Valley. Dat jochie was met een hartaandoening in het ziekenhuis beland. Hemingway was zelf voor de tweede keer in de Mayo-kliniek opgenomen, nadat Mary hem had betrapt met een geweer. „Ik hoop dat we spoedig terug zullen zijn en kunnen lachen om onze ziekenhuisavonturen”, schreef hij. Om er in een post scriptum aan toe te voegen: „Voel me goed en in zijn algemeen heel opgewekt over de dingen en hoop jullie allen snel te zien”. Hemingway wist zelfs zijn artsen ervan te overtuigen dat hij best weer naar huis kon.

De fatale dag liet niet lang op zich wachten. Hemingway stond als altijd vroeg op, en hoewel Mary zijn wapens achter slot en grendel had verstopt, wist hij waar de sleutel lag: op het raamkozijn boven de spoelbak in de keuken. In zijn rode badjas ging hij stilletjes naar beneden. Koos een dubbelloops jachtgeweer. Liep toen naar het halletje, een ruimte zo klein als een biechtstoel. Hij liet de kolf op de grond rusten en bukte. De loop kuste zachtjes zijn voorhoofd, precies tussen zijn wenkbrauwen, zoals een moeder zou doen. Of nee, zijn voorhoofd kuste het koude metaal. Toen haalde hij de trekker over.

Bezoek aan Hemingways laatste huis

Dat ik nu dat huis mag bezoeken, heb ik te danken aan Jon Maksik en Dr. Jenny Davidson. Jon is gepensioneerd rector en een drijvende kracht achter de Sun Valley Writers’ Conference, Jenny is de directeur van de Community Library, waar ik ze ’s ochtends tref. Jenny vertelt kort hoe het huis in het bezit van The Nature Conservancy is gekomen, dat het als kantoor gebruikte toen er nog maar één personeelslid was. Ook geeft ze goedmoedig strenge instructies. Het is vooral niet de bedoeling dat ik binnen foto’s maak, want daar gaat een verkeerd signaal vanuit. Het is een woonwijk en mensen hebben geen trek in toeloop.

We rijden erheen in Jons terreinwagen – ik ben nog steeds misselijk en duf en kan mezelf wel voor mijn kop slaan, als die kop al niet van zichzelf pijn deed. Dat ik me voor mijn conditie verontschuldig, lijkt Jon te amuseren. „Ga dan ook niet naar de Casino Bar. De enige keer dat ik mijn vrouw dronken heb gezien, was toen ze daar vandaan kwam. Ze kroop door de kamer!”

Het huis is een chalet van gegoten beton dat eruit ziet als hout. Het is gelegen op een heuvel bedekt met gras, alsem en sparren, met uitzicht op de bergen en de meanderende Big Wood River. We gaan binnen door het halletje, de plek des onheils. Er staan kisten met duikapparatuur, door Jean-Jacques Cousteau vanaf de Bahamas verzonden aan Bob Topping, de oude eigenaar, en op een plankje liggen trommels met Toppings films over reizen naar Siam en Gibraltar. Ik probeer Hemingway’s laatste moment voor te stellen, maar het halletje is te vol, te druk. We gaan de woonkamer binnen. Een tijdmachine.

Het interieur lijkt, hoe vintage ook, vreemd genoeg ook te modern, tot ik bedenk dat Hemingway in mijn beleving iemand uit de jaren twintig en dertig is, niet uit de late jaren vijftig

Er is hier vrijwel niks veranderd sinds die julidag in 1961, zegt Jenny. De lambrisering is van gouden eik, en er is een beeldbuis ingebouwd van het merk RCA Fleetwood. De strakke meubels stammen allen uit de jaren vijftig, bij de haard hangen de opgezette koppen van een impala en een onyx, aan een kastje hangt een schets van Picasso voorzien van een persoonlijke boodschap. Ik neem aarzelend plaats op de bank en maak notities. Het is alsof ik ben binnengeslopen bij mensen die even van huis zijn. Mad Men-mensen. Het interieur lijkt, hoe vintage ook, vreemd genoeg ook te modern, tot ik bedenk dat Hemingway in mijn beleving iemand uit de jaren twintig en dertig is, niet uit de late jaren vijftig.

Ik vind het verbijsterend, zeg ik, dat Mary nooit iets heeft willen veranderen. Alsof ze het leven met haar dode echtgenoot heeft willen aantrekken als een warme jas. „Misschien was het haar manier Hemingway te eren”, suggereert Jenny. Het enige wat ze heeft gedaan, is een andere voordeur gebruiken, zodat ze niet elke dag in dat halletje hoefde te zijn.

We maken een rondje kamers. In de badkamer zoeken Jon en Jenny vergeefs naar de Papa- en Mama-handdoeken die bij hun laatste bezoek naast de wastafel hadden gehangen. Dan naar boven, naar de master bedroom, die voor Mary was. Hier staan wel oudere meubels, deels overgebracht uit Cuba. De kleinere slaapkamer was van Ernest. Hier werkte hij, zelfs toen het heel slecht met hem ging. „Elke morgen”, schreef zijn biograaf Carlos Baker, „bracht hij uren door in de achterkamer, staand aan zijn hoge bureau aan het raam, papieren heen en weer schuivend, nauwelijks zijn blik opheffend naar het glorieuze panorama van de bergen in het noorden.”

Ik sta ook een tijdje voor dat raam, vingers wrijvend over het bureaublad. Bizar. Het is alsof ik hem, dwars door de tijd, aanraak.

‘De mythe verstoort de magie van zijn werk’

Voor Jon is Hemingway de meest onderschatte van alle Amerikaanse schrijvers. Ik frons. Onderschat? „Onderschat, ja. De mythe staat in de weg. Daardoor zien mensen de magie van zijn beste werk niet meer.” Hij beschrijft een scène uit The Sun Also Rises, waarin verteller Jake Barnes een Spaanse kathedraal binnengaat, in gedachten over zijn gezelschap, de stierenvechters, zichzelf. Weer buiten, aldus Barnes, „waren de vingertoppen en mijn duim nog vochtig, en ik voelde ze drogen in de wind”. „Niet één keer heeft Hemingway het over wijwater”, zegt Jon. „Het is allemaal suggestie. Het zit allemaal onder het oppervlak. Dat is groots schrijven.”

Waarna we in een literaire discussie verzeilen die hier, op deze plek, als heiligschennis voelt, ook al had Hemingway zo’n discussie ongetwijfeld gewaardeerd.

Even alleen zijn in het halletje

Nadat ik buiten wat foto’s heb genomen, praten we even na op de oprit. De deur naar het halletje staat nog open, zie ik. Ik vraag om één minuutje en stap nog even binnen, om alleen te zijn, daar waar het licht uitging. Het is stil – ik hoor enkel de wind. Kijk dan naar mijn voeten. Hoe zou het zijn om in een dubbelloops geweer te kijken? Is dat het zwaarste moment, of is er al iets van opluchting? Onrust stuwt op van mijn borst naar mijn ogen, maar ik maak mezelf wijs dat dat de kater moet zijn.

Weer buiten zeg ik: „Toch best… aangrijpend”. En het gevoel woorden geven maakt het opeens dubbel waar. Jon zegt iets terug, maar ik kijk al weg, door de zoeker van mijn camera, alsof ik hoognodig nog wat foto’s van de bomen moet maken. Ik wil niet dat ze mijn tranen zien, zelfs al loop ik daardoor het risico dat ze denken: wat een klootzak.

Auke Hulst is roman- en reisschrijver. In oktober verscheen zijn roman. En ik herinner me Titus Broederland (Ambo|Anthos).

Stadstekeningen van weerzinwekkende precisie

 

‘Technisch gezien is Stefan Bleekrode knapper dan Escher’

Waar haalt hij het vandaan? Tekenaar Stefan Bleekrode maakt stadsgezichten. Supergedetailleerd en geheel ontsproten aan zijn eigen fantasie.

Eén keer stootte Stefan Bleekrode (31) een potje Oost-Indische inkt over zijn tekening omver. Erop een stadsgezicht van New York City vanuit vogelperspectief, net af. Het drukke verkeer, een stadspark, de wolkenkrabbers die door de jaren heen werden opgetrokken: in de ruim honderd uur die de tekening hem had gekost, was Bleekrode erin geslaagd de metropool te tekenen zoals we hem kennen. En nu ineens, werd een deel van dat fraai gecomponeerde landschap overspoeld door diepzwarte blubber.

‘Ik zag twee opties: uit het raam springen of opnieuw beginnen’, vertelt hij in de Utrechtse galerie van kunsthandelaar en -taxateur Frank Welkenhuysen, waar zijn tekeningen sinds twee jaar permanent hangen. Beide opties vond hij voor zijn tekening ‘nogal onaantrekkelijk’. Dan moest New York maar in het duister gehuld, besloot hij. De wolkenkrabbers kregen lichtjes, de gemorste inkt werd de donkere hemel.

Door hun weerzinwekkende precisie zou je haast zweren dat het natuurgetrouwe kopieën zijn

Door hun weerzinwekkende precisie en waarachtigheid zou je het haast zweren. Maar nee, de steden die hij met inkt en aquarel tekent, zijn geen natuurgetrouwe kopie van een echte stad. Juist dat maakt ze zo uniek: ze zijn voornamelijk (‘voor meer dan 90 procent’) een creatie van zijn eigen verbeelding en herinnering. Iconische gebouwen die hij de moeite waard vindt, neemt hij over in zijn tekening. Want waarom zou je iets dat in werkelijkheid al zo mooi is niet gebruiken? Voor de rest zijn de steden een verzinsel van hemzelf, beslist hij over de plek en grootte van gebouwen, over dag en nacht, de lengte en richting van de straten, de grootte van de pleinen.

Eigen verbeelding dus. Die wordt gevoed door de vele stadswandelingen; hij bezoekt steden vaak voor hij ze tekent. Dan prent hij ze in zijn hoofd, met de stratenplannen en iconische architectorale vormen die hij opdoet in boeken en musea. Niet in de laatste plaats is er de drang zelf iets toe te voegen aan de werkelijkheid door te bepalen welke gebouwen waar op de tekening terechtkomen. Dat alles komt samen zodra hij de eerste schetsen voor een nieuwe ‘imaginaire’ stad maakt.

Manhattan, 80 x 115 centimeter, vervaardigd in 2016.
Manhattan, 80 x 115 centimeter, vervaardigd in 2016. © Stefan Bleekrode

Maar zelfs voor wie zijn maakproces kent, is het lastig voor Bleekrodes tekeningen te staan zonder te denken: dit heb ik in het echt gezien.

Neem de panoramatekening van een Zuid-Italiaanse stad (uit 2016) die hieronder staat afgebeeld. Hij bedacht hem met de gebouwen en stratenplannen van Napels en Palermo in zijn achterhoofd. Aan de tekening van 60 bij 90 centimeter had hij zes maanden werk. Met zijn wijsvinger glijdt hij over de tekening.

Het begon met de triomfboog en het plein linksonder. Van daaruit tekende Bleekrode de decumanus maximus. Zo noemden de Romeinen de hoofdstraat die van oost naar west liep. Die leidt weer naar een middeleeuwse vesting, iets naar rechts. Daarna begint het aankleden van de stad. Pleinen, volkswijken en ‘iets moois’ (een kathedraal, een toren). Echt en verzonnen wisselen elkaar voortdurend af.

Toen hij 11 jaar was, nam zijn vader hem mee naar Parijs. Dat was bijzonder, wist Bleekrode toen ook al, want zijn ouders hadden het niet breed. Als ze al naar het buitenland gingen, de Alpen bijvoorbeeld, nam hij zijn tekenblok mee. Waarom hij nou juist dat Parijs-tripje altijd als officieuze start van zijn carrière noemt, daar is hij zelf ook nog niet helemaal uit. Dit herinnert hij zich in elk geval: de niet te onderdrukken innerlijke drang om al dat moois, de Champ-de-Mars, het Palais de Chaillot, het Louvre, in één beeld te willen vangen door het te tekenen. Daaruit ontsproot zijn eerste stadsgezicht.

Inmiddels kan hij leven van de kunst. ‘Ik kan met zekerheid zeggen dat mijn werken van de Amerikaanse westkust tot aan Japan hangen.’ Kritieken waren tot nog toe altijd lovend, zijn werk is geliefd onder gezaghebbende verzamelaars. Komend jaar staat de eerste grote tentoonstelling in het Amersfoortse Museum Flehite gepland.

Bleekrodes stadsgezichten zijn meer dan een oppervlakkig spierballenvertoon in lijnen

Bleekrodes stadsgezichten zijn meer dan een oppervlakkig spierballenvertoon in lijnenspel. Vroeger deed hij alleen ‘gebouwen stapelen’, tekende hij het papier tot de horizon vol met torens, parken, wegen en huizenblokken. De laatste jaren krijgt het lichtspel steeds meer ruimte in zijn werk, wordt het oog van de kijker eerder getrokken naar de fraaie weerkaatsing van het zonlicht op de baai van Venetië of de groezelige avondverlichting uit de straten van nachtelijk Lyon.

Natuurlijk legt hij af en toe eens een foto naast zijn tekening. Bij een ingewikkeld gevelontwerp van een kerk bijvoorbeeld. Zonder foto zou hij net een detail missen, een patroon of een lus in de versiering. En dan blijft het niveau van de tekening steken. Alles moet kloppen.

Voor de eeuwigheid

In de basis is Oost-Indische inkt een mengsel van koolstof (roet) en water. In de basis, want het toevoegen van een bindmiddel is niet noodzakelijk – zodra het water is opgedroogd, bindt de koolstof zich aan het papier – maar gebeurt in praktijk vaak wel. Ook pigment (kleurstof) toevoegen is overbodig. Vroeger werd de inkt in de vorm van blokjes verkocht, nu is die veelal vloeibaar. Koolstof kan niet door licht worden afgebroken. De inkt vergaat daardoor niet. Niet na vijftig jaar, niet na twee eeuwen.

Dat precieze en imponerende van zijn tekeningen roept geregeld vragen op over zijn persoon. Hoe hij dat klaarspeelt, zo uit zijn hoofd? En als de verbazing dan enigszins is ingedaald: of hij soms autistisch is? ‘De bekende vraag’, noemt hij het inmiddels. Nee. Niet autistisch, wel perfectionistisch. ‘Ik ben precies, op het pedante af.’ Laatst, op een kunstbeurs, sprak hij er met een psycholoog over. Het geconstrueerde en duidelijk overwogen beeld dat zijn tekeningen uitstralen, zou onmogelijk zijn voor iemand met autisme. ‘Die zou zonder vooropgezet idee beginnen te tekenen, of juist een echte stad een op een overnemen.’ Bleekrode is voortdurend bezig een harmonieus totaalbeeld van een stad te scheppen, dat voor de kijker realistisch én plezierig moet zijn.

Een andere vraag die zich aandient, is hoe hij zich tot outsider art verhoudt, een in populariteit toenemende kunststroming die zichzelf buiten de reguliere museum- en kunstwereld plaatst. Zijn werkwijze en portfolio tonen een aantal gelijkenissen met die stroming. De beoefenaars zijn autodidact, exposeren in een eigen circuit en hun kunst is lastig in een traditie te plaatsen.

Je mag Stefans toewijding gerust Spartaans noemen

Kunsthandelaar Welkenhuysen

De twee kunstopleidingen die hij volgde, eerst in Breda, later in het Engelse Wimbledon, maakte hij niet af omdat zijn ideeën niet aansloten bij die van de instituten. Gratis toegankelijke musea als de National Gallery en lange wandelingen in Londen bleken een versnelde cursus in de leer van perspectief, licht en vorm. Bleekrode: ‘In zekere zin heb ik daardoor juist een heel traditionele opleiding gehad. Die musea hingen vol met grote meesters.’

Toen Bleekrode uit Wimbledon terugkeerde, was zijn geld zo goed als op. Via een uitzendbureau bemachtigde hij allerhande baantjes, onder andere bij een verhuisbedrijf en als monteur van ticketmachines voor treinkaartjes. ‘s Avonds en in de weekenden kon hij tekenen en met tussenpozen op reis om nieuwe steden te ontdekken.

‘Je mag Stefans toewijding gerust Spartaans noemen’, zegt kunsthandelaar Welkenhuysen, die de zakelijke belangen voor Bleekrode behartigt. De twee ontmoetten elkaar in de aanloop naar een tentoonstelling in de Naardense galerie Pouloeuff, drie jaar geleden.

Stefan Bleekrode in de Utrechtse galerie van kunsthandelaar Welkenhuysen.
Stefan Bleekrode in de Utrechtse galerie van kunsthandelaar Welkenhuysen. © Frank Welkenhuysen

Tekenen doet hij zeven dagen in de week. Na het avondeten moet hij zichzelf bedwingen niet verder te gaan. Soms zit hij ook ‘s nachts nog te werken. Welkenhuysen praat genoegzaam over Bleekrodes onvoorwaardelijke toewijding. Ook bij de kunsthandelaar overheerste aanvankelijk vooral verbazing. ‘Als je de constante precisie ziet waarmee elk stukje tekening is gevuld, denk je: hoe dóét-ie dat?’ Daarop volgde het ontzag voor Bleekrodes technisch vertoon, zijn gebruik van perspectief en schaduw. ‘Op zulk talent stuit je drie, vier keer in je hele leven.’

De speling met het licht vergelijkt Welkenhuysen met de 17de-eeuwse schilder Caspar van Wittel. Al beperkt Bleekrode zijn kleurenpalet tot wit- en zwarttinten. In zijn finesse ziet Welkenhuysen een evenbeeld van de jonge M. C. Escher (1898-1972) die in zijn Italiaanse periode zich ook op stadsgezichten richtte. ‘Maar technisch is Stefan knapper dan Escher.’

Stefan Bleekrodes werk is te zien op de Kunstrai, 31/5 t/m 3/6.

HOE HEEFT BLEEKRODE DEZE STAD GEBOUWD?

Panoramatekening van een Zuid-Italiaanse stad, vervaardigd in 2016.
Panoramatekening van een Zuid-Italiaanse stad, vervaardigd in 2016. © Stefan Bleekrode

Doordat hij vasthoudt aan de architectorale vormen die de steden ook in het echt karakteriseren, geven zijn tekeningen een idee van de ontwikkeling die de stad door de eeuwen maakte. De verschillende bouwstijlen, ooit meegebracht door volkeren of kenmerkend voor een periode in de geschiedenis, herken je zonder al te veel moeite.

De galerij aan het plein linksonder, bijvoorbeeld, met haar 19de-eeuwse glazen koepel. Volg je van daaruit de hoofdstraat naar het treinstation, dan zie je aan je rechterhand de Santa Chiara, een gotisch bouwwerk met renaissancistische cassettegevel. Even verderop, aan de linkerkant, torent de Gesù-kerk boven de omringende wijk uit. Bleekrode baseerde beide op het echte exemplaar dat in Napels staat. Alle andere gebouwen, zoals de op de Normandiërs geïnspireerde kathedraal aan de noordelijke hoofdweg, zijn een eigen creatie.

Verder naar de stadsrand ligt het modernere bouwwerk. De haven, fletse kantoorpanden, gebouwd aan de voet van een kalkstenen bergformatie.

Bron : VK

Oud President USA bemoeit zich met Franse verkiezingen….

Videoboodschap Obama

Barack Obama.
Barack Obama. © ANP

De voormalige Amerikaanse president Barack Obama heeft de Fransen opgeroepen zondag op Emmanuel Macron te stemmen. ‘Macron heeft liberale waarden verdedigd. Hij spreekt mensen aan op hun hoop, niet op hun angst’, zei Obama in een videoboodschap. ‘De Franse verkiezingen zijn heel belangrijk voor de toekomst van Frankrijk en de waarden die we zo belangrijk vinden.’ Obama sloot zijn verklaring af in het Frans, met de woorden En Marche! en Vive la France!/ bron VK

hulp komt als geroepen voor Le Pen, als FRansen ergens een hekel aan hebben is het aan bemoeials uit de USA, dit kan Le Pen net het Presidentschap opleveren.

De man van Marine Le Pen schittert door afwezigheid

 

 

Onder geen beding ‘premier homme’

Hoewel langdurig actief in het Front National, houdt Louis Aliot zich afzijdig en zal hij Marine Le Pen niet volgen naar het Elysée.

Terwijl Brigitte Trogneux alomtegenwoordig is, schittert Louis Aliot door afwezigheid. De partner van Marine Le Pen laat zich nauwelijks zien in de campagne, terwijl hij, net als Marine, een politiek dier is: vicepresident van het Front National, lid van het Europees Parlement en de gemeenteraad van Perpignan.

Louis Aliot heeft al gezegd dat hij geen enkele ambitie heeft om premier homme te worden, als Marine Le Pen tot president wordt gekozen. Ook zal hij niet in het Elysée gaan wonen. ‘Hij wacht slechts het moment af om naar Zuid-Frankrijk terug te keren, te gaan vissen en boottochten te maken met zijn vrienden’, zei een journaliste die een boek over partners van beroemde vrouwen schreef.

Die Algerijnse achtergrond heeft Aliot diepgaand beïnvloed

Louis Aliot is een man van het Zuiden, iemand die zich op zijn gemak voelt als hij een stierengevecht of een rugbywedstrijd bezoekt. Hij wordt in 1969 geboren als zoon van een stukadoor en een moeder die in 1962 gedwongen uit Algerije moest vertrekken. De net onafhankelijk geworden Algerijnse staat gaf Europese kolonisten – de pieds-noirs – de keuze tussen ‘de koffer of de lijkkist’.

Die Algerijnse achtergrond heeft Aliot diepgaand beïnvloed. Nog altijd hangt in zijn huis een poster van Algiers in de jaren vijftig. Aliot heeft zelfs een hommage gebracht aan Jean Bastien-Thiry, de man die in 1963 een aanslag op president De Gaulle organiseerde omdat deze Algerije zou hebben verraden.

Aliot studeert rechten, schrijft een proefschrift en wordt advocaat in Perpignan. Sinds zijn 21ste is hij lid van het Front National. Hij staat op goede voet met Jean-Marie Le Pen en wordt directeur van diens kabinet. In de partij komt hij Marine Le Pen tegen. Hij wordt haar medewerker in het Europees Parlement. In 2010 wordt bekend dat ze een relatie hebben. Zij is dan al twee keer getrouwd geweest, hij een keer.

Ze zien elkaar niet zo vaak, omdat ze hun tijd verdelen tussen Parijs, Brussel, Straatsburg en Perpignan

Slechte 1 mei voor Le Pen Sr.

Sinds zijn dochter Marine met hem brak, moet Jean-Marie de 1-meiviering solo doen. Een onwillige microfoon liet zijn optreden maandag in Parijs in de soep lopen. Bijna twintig minuten moest de oprichter van het Front National zijn geduld bewaren. Hij klopte wat, hij blies wat en hij zong zelfs wat. Tegen de tijd dat het geluid weer werkte, was het echte vuur gedoofd.

Le Pen en Aliot hebben een heel andere verhouding dan Macron en Trogneux. Ze zien elkaar niet zo vaak, omdat ze hun tijd verdelen tussen Parijs, Brussel, Straatsburg en Perpignan, de stad waar Aliot burgemeester wil worden. Openlijke blijken van liefde zijn zeldzaam. Een uitzondering is een tweet waarop ze elkaar op de mond zoenen, gericht aan het roddelblad Closer na een verhaal dat hun relatie op springen zou staan.

Ondanks zijn goede band met Jean-Marie Le Pen steunt Aliot de pogingen van zijn dochter om het Front National te ‘ontdemoniseren’. Het FN moet van zijn antisemitisme af, vindt hij. ‘Maar op het gebied van islam en immigratie is het niet per se slecht om gedemoniseerd te worden’, zegt hij.

Aliot steunt Marine Le Pen ook als steeds meer zuidelijke FN’ers mopperen over de linkse koers die ze voert onder invloed van haar trouwe luitenant Florian Philippot. Haar discours krijgt steeds meer sociale en antikapitalistische trekjes, waarmee ze goed scoort in de verlopen industriegebieden van Noord- en Oost-Frankrijk.

De Fransen hebben blijk gegeven van hun afkeuring van familiebanden in de politiek

zei Marine Le Pen, verwijzend naar de affaire-Fillon

Veel FN’ers in het Zuiden vinden deze lijn te links. Ze zien het Front als een rechtse partij die moet hameren op de Franse identiteit, de katholieke wortels van het land en het gevaar van islam en immigratie. Aliot wordt verweten dat hij zich als man van het Zuiden onvoldoende verzet tegen de invloed van Philippot. ‘Louis heeft velen teleurgesteld’, zei een FN-politicus in Libération. Aliot heeft een grote bek, zei een ander, maar hij brengt die nooit tegen Marine in stelling.

Als Marine Le Pen president wordt, zal Aliot geen minister worden, net zo min als Marion Maréchal-Le Pen. ‘De Fransen hebben blijk gegeven van hun afkeuring van familiebanden in de politiek’, zei Marine Le Pen, verwijzend naar de affaire-Fillon.

‘Op de dag dat Marine wordt gekozen, zal ik overal mee stoppen’, heeft Aliot zelf gezegd. Hij wil zijn partner politiek niet voor de voeten lopen en heeft evenmin trek in een ceremoniële functie als premier homme. Aliot ziet voor zichzelf een andere missie weggelegd: de rehabilitatie van de harki’s, de Algerijnen die voor het Franse leger hebben gevochten. ‘Zij zijn in de steek gelaten door de Republiek. Velen hebben hun strijd voor Frankrijk met hun leven moeten bekopen. Nog altijd wordt niet genoeg erkend wat zij hebben meegemaakt.’

Volkskrant