Het wonder van Kroatië begon in Zadar

REPORTAGE LUKA MODRIC

In de pauzes tussen het luchtalarm leerde Luka Modric voetballen. In Zadar. Daar waar zijn familie tijdens de burger-oorlog naartoe vluchtte. Wint Kroatië met hem het WK?

Het huis van de familie Modric in Zadar. Luka woonde hier met zijn familie tot zijn opa werd vermoord door Servische troepen. Foto Daniel Rosenthal

Luka Modric, een man van halverwege de 50, haalt zijn koeien en schapen uit de stal naast zijn huis in het Kroatische gehucht dat vernoemd is naar zijn ­familie: Modrici. Hij ment de kudde het steile pad op, de grillige grijze bergen in. Het is de late zomer van 1991, Kroatië heeft een paar weken eerder eenzijdig zijn onafhankelijkheid uitgeroepen van de afbrokkelende Joegoslavische federatie.

Luka Modric zou nooit terugkeren. Dorpsgenoten vonden zijn stoffelijke resten later tussen rotsen. Hij werd vermoord door de oprukkende Servische troepen. Modric’ zoon sloeg met zijn vrouw en drie kleine kinderen op de vlucht langs de enige nog veilige route: naar beneden, richting de Adriatische Zee, naar het havenstadje Zadar.

Zevenentwintig zomers later groeien vijgenbomen door het kapotgeschoten dak van het huis in Modrici. Naast de stal, daar waar de herder voorgoed in de bergen verdween, staat een bord: ‘Niet betreden, mijnen.’

Onder aanvoering van Luka Modric  (32), de kleinzoon van de vermoorde herder, kan het Kroatische voetbalelftal zondag wereldkampioen worden tegen Frankrijk. Kroatië, ruim 4 miljoen inwoners, zou na Uruguay in 1950 het kleinste land zijn dat die titel verovert. Het zou een sensatie zijn. En dat onder de leiding van Modric, een speler die zich door zijn rust en bescheidenheid zo duidelijk onderscheidt van andere internationale vedettes.

De Kroatische trots

‘Luka is zo bescheiden, net als zijn ­vader Sipe. Echt klasse mensen’, zegt Ivan (45), een grote man die op de markt dezer dagen goud geld verdient met het verkopen van rood-wit-geblokte Kroatische vlaggetjes. Ivan kan het weten, want Modric’ ouders en jongste zus wonen in hetzelfde appartementencomplex. ‘Zijn vader heeft al jaren geleden een BMW gekregen, maar hij rijdt nog steeds in zijn oude Fiat. Dat vind ik prachtig, dat het geld hem niet naar het hoofd is gestegen.’ Als eerbetoon aan de familie heeft Ivan zijn jongste zoon zes jaar geleden Luka genoemd.

Kroatië, sinds vier jaar EU-lid, is een land op zoek naar identiteit en een plek in de wereld. Het kampt met corruptie, met belangenverstrengelingen tussen politiek en bedrijfs­leven en met jongeren die het land om deze redenen massaal de rug toekeren – het geboortecijfer daalt. Maar het is ook een trots land – en niet alleen in sportieve zin.

Foto Daniel Rosenthal

Steeds meer ontevredenen zoeken er hun heil in nationalisme, in de verboden symbolen van de Ustaca, de Kroatische nazi’s die met Mussolini en Hitler collaboreerden. ‘Extremisme is fout’, zegt Ivan. ‘Maar nationalisme is nodig. Als wij ons twintig jaar geleden niet tegen de Serviërs hadden geweerd, bestonden we nu niet.’

Voetbal is oorlog. Als deze boude uitspraak van Rinus Michels ergens de waarheid benadert, dan in de lappendeken van landjes die is ontstaan uit de as van Joegoslavië. In het collectieve geheugen van veel Kroaten, Bosniërs en Serviërs wordt het begin van de burgeroorlog gemarkeerd door een voetbalwedstrijd tussen rivalen Dinamo Zagreb en Rode Ster Belgrado op 13 mei 1990. Al voor de aftrap bestormden ultranationalistische Servische hooligans het thuisvak, omdat de Kroaten, minstens even nationalistisch, hen uitdaagden met nationale liederen en de slogan ‘Kosovo is een staat’.

De oorlog verzwolg generatie veelbelovende Joegoslavische sterspelers. Serviërs Sinisa Mihajlovic en Pedja ­Mijatovic en de Kroaten Svonimir Boban en Davor Suker, in 1987 wereldkampioen voor onder de 21. Zij beëindigden hun loopbaan voor ­rivaliserende nationale teams.

Luchtalarm

Ondertussen leerde de volgende generatie voetballen in de pauzes tussen het luchtalarm. Zadar, de stad waar de 6-jarige Luka Modric opgroeide in een hotel dat dienst deed als vluchtelingenopvang, werd zwaar getroffen. Vanuit de bergen werd de stad tussen 1991 en 1995 vier jaar lang dagelijks beschoten door de troepen van Slobodan Milosevic.

Zo tragisch als de geschiedenis van de stad is, zo gelukkig is Zadar in het voetbal. De plaatselijke tweedeklasser NK Zadar is hofleverancier van ‘de ­Vurigen’, zoals het Kroatische elftal wordt genoemd. Behalve Modric komen ook keeper en penaltykiller Danijel Subasic en verdediger Sime Vrsaljko uit de stad. ‘Ze groeien goed hier in de zon’, grapt algemeen directeur Svetko Custic (56), van achter zijn zware houten bureau met daarop een teamfoto uit 1996, met een minuscule blonde Modric en een iets grotere Subasic. ‘Luca was daadwerkelijk zo verlegen als over hem wordt verteld’, zegt Custic. ‘Zie je die jongen naast hem? Dat was zijn vriend, maar hij sloeg die kleine ook geregeld in elkaar.’

Trots vertelt Custic dat hij erbij was tijdens de halve finale tegen Engeland. Hij trekt zijn mobiel voor de bewijsfoto – met vader Sipe Modric. ‘Zondag zullen we de grootste triomf uit de Kroatische geschiedenis beleven. Ik zeg twee-nul.’ En na een korte pauze: ‘Maar natuurlijk wel in de verlenging. Medewerker Roko Pavici (20), die voor Custic vertaalt, vult aan: ‘Wij vechten het best als we eerst worden beledigd.’ Custic doet er nog een schep bovenop: ‘Andere landen op de Balkan zoals Servië, die kunnen een goede wedstrijd spelen, maar alleen Kroaten hebben de discipline een toernooi te winnen.’

Directeur van NK Zadar Svetko Custic (links) en Josip Bepo Baslo, sportief directeur van de club. Achter hen een foto van de zoon van Custic, die overleed na een ongeluk tijdens een voetbalwedstrijd. Foto Daniel Rosenthal

De voetbalgeschiedenis van Zadar heeft ook een zwarte bladzijde. De zoon van directeur Custic, Hvorje, staat ook op de foto. Hij leek net als zijn jeugdmaatjes Modric en Subasic op weg naar een glanzende carrière bij de nationale ploeg. Tot hij tien jaar geleden uitgleed op het veld van NK Zadar en zo ongelukkig tegen de betonnen rand van de tribune gleed dat hij vijf dagen later in het ziekenhuis overleed aan hersenletsel. Vader Custic slikt, maar herpakt zich. ‘Niet te lang over nadenken. Wat gebeurd is, is gebeurd, hoe vreselijk ook.’ Die woorden herhaalt hij min of meer letterlijk als hij praat over zijn tijd als soldaat in de burgeroorlog. Wat hem snel weer op Modric en de rest van de succesgeneratie brengt. ‘Ze zijn door die oorlog snel volwassen geworden, verantwoordelijk.’ Trots strijkt hij over de foto uit 1996.

Wrange bijsmaak

Maar zoals elk verhaal in Kroatië heeft ook dat van Modric, de vluchteling die het tot topvoetballer schopte, mogelijk een dubbele bodem. Sinds een paar jaar is het land in de ban van een reusachtige fraudezaak rond Zdravko Mamic, de voormalig directeur van Dinamo Zagreb, waar Modric speelde tot hij in 2008 voor 21 miljoen werd verkocht aan Tottenham Hotspur. Mamic zou miljarden hebben witgewassen, waaronder een deel van dat van de transfersom van Modric, die daarover onder ede zou hebben gelogen. Er dreigt een rechtszaak tegen hem.

Op het hotel waar Modric opgroeide staat daarom ‘Modric hoer van Mamic’, in graffiti. Begin je daarover tegen Ivana Vidic (23), administratief medewerker van NK Zadar, dan zucht ze. ­‘Mamic is natuurlijk een crimineel, en in dit land zijn honderden, duizenden kleine Mamicen. Gek worden we ervan. Maar tegen Luka Modric zijn geen bewijzen, alleen geruchten. Voetbal gaat niet over geruchten maar over doelpunten.’

In het Kroatië van 2018 kan het mooie niet zonder het lelijke – en de mogelijke Kroatische wereldtitel zou extra fel schitteren tegen de achtergrond van fraude, economische zorgen en ontluikend nationalisme. Maar het perfect logische, onpretentieuze voetbal van Luka Modric, dat blijft van een ondubbelzinnige schoonheid.

Advertisements

De vraag is niet óf Nederland onder water verdwijnt, maar wannéér

De houdbaarheid van Nederland is eindig, schrijft klimaatwetenschapper . De politiek moet zich afvragen voor wie ze dijken ophogen: voor de komende drie of de komende tien generaties?

Foto ANP 

Laatst zag ik een interview met de ingenieur die verantwoordelijk was voor de bouw van de Oosterscheldekering. Hij vertelde dat die kering technisch 200 jaar mee kan. Bij het ontwerp in de jaren 70 werd trots beweerd dat-ie liefst 40 centimeter zeespiegelstijging aankon. Als je bedenkt hoe weinig er destijds over zeespiegelstijging bekend was, is het bijna revolutionair te noemen dat daar überhaupt over was nagedacht.

Inmiddels zijn we ruim veertig jaar onderzoek verder. En leert theorie én waarneming ons dat de grote ijskappen op Groenland en Antarctica geen ijsblokjes zijn die tergend langzaam van boven afsmelten. Hun ligging, deels onder zeeniveau, maakt ze veel gevoeliger voor afsmelting door warm oceaanwater dan we tien of twintig jaar geleden dachten. Dus zelfs bij de sterkste broeikasgasreductie en het meest conservatieve klimaatscenario gaat de Oosterscheldekering zijn 200ste verjaardag bij lange na niet halen.

Maar hoeveel gaat de zeespiegel dan wél stijgen?

Kort geleden verscheen in Nature Geoscience een kloek overzicht (met Utrechtse inbreng) van wat het verre verleden ons leert over de werking van ijskappen en zeespiegel. Daarin een even simpele als intrigerende grafiek over de lange-termijneffecten van de opwarming: de twee graden uit Parijs leiden uiteindelijk, over een paar duizend jaar, tot ongeveer 15 meter zeespiegelstijging. Eigenlijk nauwelijks verbazingwekkend, als je bedenkt dat het 20.000 jaar geleden, in de laatste ijstijd, een graad of 5 kouder was dan nu, en de zeespiegel 120 meter lager stond.

Tijdschalen

Hoe moeten we zo’n resultaat nu rijmen met wetenschappers die telkens maar weer geduldig uitleggen – ikzelf nog vorige maand bij Jinek aan tafel – dat stoppen met fossiele brandstoffen de kans op sterke zeespiegelstijging veel kleiner maakt?

Het sleutelwoord hier is tijdschalen. Op tijdschalen van tien tot honderd jaar zie je vooral de processen die zich relatief snel aanpassen aan een oplopende CO2-concentratie. Zoals de opwarming van de atmosfeer, die is bijna instantaan. En die van de oceaan ijlt een beetje na.

Maar op de echt lange tijdschalen beginnen trage maar bijna onhoudbare processen te spelen. Bijvoorbeeld dat het ijs opwarmt en daardoor makkelijker vervormt, en dus sneller van het continent stroomt. Of dat het oppervlak van de ijskap door de smelt inzakt en dus in steeds warmere lucht terechtkomt. Wat de afsmelting weer versterkt. Zulke processen spelen op tijdschalen van eeuwen tot millennia. Dat is de lange arm van de opwarming.

De vraag is dan ook niet óf Nederland onder water verdwijnt, maar wannéér dat gaat gebeuren. En dat bedoel ik niet op een alarmistische manier. Het is gewoon kijken naar wat de natuurkunde – en de geologische archieven – ons leren.

25 mm per jaar

Met cijfers uit het IPCC-rapport van 2013 kun je schatten dat we de 2 meter zeespiegelstijging in het hoogste scenario ergens in de tweede helft van de volgende eeuw bereiken. Recenter onderzoek verkent manieren waarop de ijskap op Antarctica sneller zijn ijs kwijt kan raken, en sluit daarmee 2 meter zeespiegel aan het einde van de huidige eeuw niet uit.

Toegegeven, dan moet er wel nog heel wat gaan gebeuren: 2 meter deze eeuw, da’s 25 mm per jaar gemiddeld in de komende 80 jaar, versus 3 mm per jaar op dit moment. Maar ook dit is wetenschap: met zekerheid uitsluiten kunnen we dit scenario (nog) niet.

Het jaar 2100, 2400, of 4000 na Christus als houdbaarheidsdatum voor Nederland. Hier stelt de natuurwetenschap een interessante, filosofische vraag aan de politiek. Voor wie moet je nog klimaatbeleid maken? Voor wie moet je de dijken nog ophogen? Voor de komende drie generaties? De komende tien? Hoe lang moet de arm van je beleid zijn?

Het zijn vragen over ethiek en moraliteit, die misschien niet te beantwoorden zijn. Maar die bij Rijkswaterstaat wel leiden tot een verandering in het denken. Bouw alleen nog no-regret waterwerken. Keringen die je kunt ophogen of uitbreiden als de werkelijkheid of wetenschappelijke inzichten daar om vragen. De watervariant van de hand op de kraan. Met die filosofie zou de Oosterscheldekering anno nu nooit meer gebouwd worden.

Lees meer op:nrc.nl/klimaat.
BLOGGER

Paul Luttikhuis

Buitenlandredacteur Paul Luttikhuis volgt op dit blog nieuws over klimaatverandering. Hij schrijft over sociale en economische gevolgen, over manieren waarop landen zich daarop voorbereiden, over nieuwe wetenschappelijke inzichten en over de onderhandelingen na ‘Parijs’. Regelmatig zullen gastauteurs hun licht laten schijnen op deze thema’s.

The Dinosaurs Outside Your Window

Originally published at Fox News

Look outside your window and you will probably see dinosaurs. They are flying, hopping, chirping, and perching on trees. You call them birds, but they are dinosaurs.

They are not descended from dinosaurs. They are dinosaurs.

Biologically, they are the flying equivalent of the velociraptors that scared you in Jurassic Park.

The Dinosaurs Outside Your Window

They share the same highly efficient lungs, the same skeletal system, the same highly intelligent brain, and the same effective eyesight.

I was reminded of the marvelous wonders of the natural world and the fascinating evolution of science by a very readable new book, The Rise and Fall of the Dinosaurs: A New History of a Lost World by Steve Brusatte.

Brusatte, a 34-year old Illinois native and paleontologist at the University of Edinburgh, has the personality of a natural entertainer. His stories of dinosaurs and the people who love them bring paleontology to life. He knows how to entertain and educate so that science comes alive and you become engrossed in the stories of how knowledge expands and refines.

Dinosaurs are a wonderful example of how knowledge changes over time and how scientific conclusions must adjust to new facts and new understanding.

When I was young, dinosaurs were analyzed as though they were cold-blooded reptiles. Cold blood limits the amount of oxygen you can process. You can have a burst of speed, but then you must rest and recuperate.

Because of this belief in the reptile-like dinosaurs, they were portrayed in energy-saving postures. The Tyrannosaurus rex was depicted as upright but with its tail dragging on the ground. Furthermore, since we thought they were reptile-like and cold-blooded, we believed they could not be related to birds.

The Dinosaurs Outside Your Window

Dr. John Ostrom, a paleontologist at Yale University, began proposing that birds were dinosaurs in the 1970s — resurrecting a theory that Thomas Henry Huxley had first proposed in the 1860s. For a century, the scientific establishment had rejected Huxley and insisted that dinosaurs were reptiles, like lizards.

Dr. Ostrom and his charismatic, almost rabble rousing student, Bob Bakker, popularized Ostrom’s theories in a terrific book, The Dinosaur Heresies: New Theories Unlocking the Mystery of the Dinosaurs and Their Extinction.

At the time, what Ostrom was saying was seen as heresy by most of the older paleontologists. Yet, the nature of science is such that facts matter. The case for warm-blooded birds being dinosaurs became so strong that, by inference, the dinosaurs were warm-blooded. If they were warm-blooded, the museum exhibits had to be changed to represent a much more active more dynamic animal. Suddenly T-Rex was even more formidable and more frightening.

Brusatte outlines the evolution of our knowledge as new discoveries piled up on the side of the warm-blooded birds are dinosaurs thesis.

Then came the great discoveries of actual feathers on dinosaurs in China. Now, the linkages have become irrefutable.

Early feathers were very simple and apparently grown for warmth or for signaling. The prettier the feathers, the more likely the dinosaur was to attract a mate (patterns which certainly exist in birds today). Gradually, some dinosaurs began growing more complex feathers and began to learn how to fly. Then, their body shape changed and included lighter bones, less weight, and very strong chest muscles to power the wings. Suddenly, you have flying dinosaurs, which we now call birds.

One of Brusatte’s most interesting sections is on the lung systems that dinosaurs developed, which are so different from and much more powerful than mammal lung systems. Dinosaurs, like us, get oxygen out of incoming air that is inhaled, but they also have a system of air sacs that captures and momentarily stores some of the incoming air. When we exhale we send out carbon dioxide but get no new oxygen until we inhale again. Dinosaurs, on the other hand, get a second wave of oxygen to absorb when they release the stored fresh air from their air sacs. Essentially, they get two breaths of air each time they inhale. As the need for more air sacs grew, they infiltrated into bone structures. Classic dinosaur skeletons show the air sacs in bones, just like modern birds.

This double breath lung technique allows dinosaurs to have much more oxygen than mammals and gives them additional energy. It is a major factor in modern birds being able to fly at very high altitudes.

I strongly urge you to read The Rise and Fall of the Dinosaurs. It will both entertain and educate you.

In addition, I urge you to look around at the wonders of the natural world and take some time this summer to reflect on the amazing complexity of the world in which we live. Finally, I think you will have a renewed respect for the process of science and a renewed caution in believing that current “scientific consensus” is unchanging and unchallengeable.

If you have some young relatives or friends, give them a copy of Brusatte’s book. You might be launching a new paleontologist as they find themselves absorbed by his book and his personality.

Your Friend,
Newt

P.S. My new book, Trump’s America is a #1 Best Sellerin Publisher’s WeeklyThe Wall Street Journal, and The Washington PostOrder your copy here>

The U.S. once again has the world’s fastest supercomputer. Keep up the hustle.


The Titan supercomputer, the world’s fastest in 2012, has been replaced by the Summit. (Courtesy of NVidia and Oak Ridge National Laboratory)
June 25 at 8:10 PM

Jack Dongarra is University Distinguished Professor at the University of Tennessee in Knoxville and a Distinguished Research Staff member at Oak Ridge National Laboratory.

The United States has knocked China out of the No. 1 position in supercomputing. This week, when the latest ranking of the 500 fastest supercomputers in the world was released, the Energy Department’s new Summit machine reclaimed a distinction that China has held for five years. The development is more than a matter of national pride; supercomputers are an indispensable tool for national security, technological progress and economic competitiveness.

How fast is the Summit? To begin with, it is roughly eight times faster than the previous U.S. titleholder, the Titan, from 2012. The Summit, developed for the Oak Ridge National Laboratory in Tennessee (where I work), has a peak performance capability of 200,000 trillion “floating point operations” — or petaflops — per second. That won’t mean much to non-computer scientists, so think of it this way: The entire population of Earth would have to compute continuously for 305 days, performing one operation per second, to match what the Summit does in one second. The Summit exceeds China’s fastest supercomputer by about 30 percent, prompting its ranking by TOP500, a project that I have been involved with since its inception in 1993, along with my colleagues Erich Strohmaier and Horst Simon of Lawrence Berkeley National Laboratory and Martin Meuer of Prometeus, a German technology company.

Supercomputers are systems that harness the power of multiple refrigerator-size units — the Summit uses an IBM system composed of 256 such cabinets, weighing a combined 340 tons and occupying 5,600 square feet — or about the size of two tennis courts. The development of supercomputers was fueled in the 1990s by the Energy Department’s desire to maintain the readiness of America’s nuclear stockpile without actual detonation testing. That required computer simulations capable of modeling nuclear processes down to tiny fractions of a second. No computer on the planet was capable of such precision, so the department embarked on a campaign that would raise the processing speed of the world’s best computers by a factor of 10,000.

It is the supercomputer’s simulation abilities that are invaluable in science and industry today. They are being applied to research in energy, advanced materials and artificial intelligence, in addition to military applications and other domains. The simulation powers allow scientists to pursue research that was previously impractical or impossible.

Supercomputing’s practical applications are remarkably varied. A hospital in Kansas City, Mo., using high-performance computing to analyze 120 billion DNA sequences to narrow the cause of an infant’s liver failure to two possible genetic variants, produced an accurate diagnosis that helped save the baby’s life. Engineers at General Motors used supercomputers to simulate crash tests from every angle, to test seat belt and air bag performance, and to improve pedestrian safety. A Philadelphia consortium dedicated to energy efficiency used supercomputers to create more efficient and “greener” buildings by simulating thermal flows.

The current supercomputing speeds, known as “petascale,” are staggeringly fast compared with what was available only a few years ago, but they will seem plodding beside the “exascale” supercomputers that are on the horizon. They will exceed a billion-billion operations per second — a decidedly new breed.

Reaching exascale speeds will not be easy. Even for today’s supercomputers to be useful in a wide range of applications, they need to have enormous memories and the ability to store and read vast quantities of data at high speed. The supercomputers must also have a software environment that facilitates the efficient and productive use of the hardware and its underlying architectures. The centers that host them are laying the groundwork for exascale systems.

The quest for exascale is driven by the realization that it will provide even more capability in a broad range of industries, including energy production, pharmaceutical research and development, and aircraft and automobile design. National economic competitiveness relies on the ability to quickly engineer superior products — and supercomputing often has a spillover effect in consumer electronics. Today’s smartphones still have a lot to learn.

And you can bet that the Chinese are working as industriously toward exascale as computer scientists are in the United States, in Japan and in the European Union, which are also serious competitors in supercomputing. The Summit might have brought the “world’s fastest” honors back to the United States, but China — which in 2001 had no supercomputers — still dominates the field, holding the majority of entries in the TOP500 rankings.

Beyond exascale supercomputing, scientists dream of quantum computing using principles of physics for calculations at speeds far beyond anything possible today. But there are many challenges to overcome before quantum computers are a reality for practical computations. The United States and its competitors are of course working intensely on overcoming those challenges. In the shorter term, the race is on to try to surmount the Summit as the world’s fastest supercomputer.

Kroegtijger Pierre Bokma voelt de vrijheid in stamcafé De Smoeshaan

EINDELIJK WEEKEND PIERRE BOKMA

Het is Eindelijk Weekend. Acteur Pierre Bokma (62) bezoekt zijn stamcafé, De Smoeshaan in Amsterdam.

Foto Erik Smits

Nee, van echt weekend is geen sprake, niet als je acteur bent. Maar: ‘De dagen belóven wel altijd wat. Het zijn stoute dagen, dagen met geheimpjes.’

Die geheimpjes worden zorgvuldig bewaard in café De Smoeshaan, de plek waar de kroegtijger in Pierre veertig jaar geleden werd geboren, toen de muren nog zwart zagen en de bar nog achter stond. Veertig jaar later is de tijger in een dinosaurus veranderd, maar brullen doet hij nog steeds, liefst aan de stamtafel, aspergesoepje erbij. Lukt dat niet, ‘dan mis ik een ankerpunt, simpel’.

Het zit ‘m in de kroeg zelf, dat ‘roddelmonster’ met zijn malle trappetjes en opkamertjes, je moet ‘m kennen om er te komen, de ‘meesten worden afgeschrikt door de ons-kent-ons-adem die er naar buiten waait’. Het zit ‘m in de mensen, Kees (Prins) en Gijs (Scholten van Aschat) en Niek en Ánnick, nou ja, en wie er verder maar aanwaait, dat is nu juist het aardige van een stamkroeg.

En het zit ‘m in de vrijheid. Hier worden afspraken gemaakt en beloftes gebroken, rekeningen vereffend en nieuwe geopend, er wordt gediscussieerd en gelachen, hier heeft hij ooit gehoord dat hij Hamlet mocht spelen. Ze zaten er soms tot vijf, zes uur ‘s ochtends, én maar discussiëren, én maar roken, pokeren ook, schitterend. Zo laat wordt het tegenwoordig niet meer, er zijn allemaal jonkies bijgekomen, they flock together, dus daar kun ‘je niet zomaar tussen gaan zitten als ouwe bok. Je praat op een andere manier over ontwikkelingen, zij starten nog, dat moet je laten.’

Wat ook verandert: omdat het café meer bij het naastgelegen Theater Bellevue moet gaan horen, wordt de boel binnenkort verbouwd en de vraag is of iedereen daarna terugkeert. Pierre: ‘Ik moet nog zien of dat duivenkompas dan nog werkt.’ Dan, zwaaiend naar een stamgast: ‘Hé Georgie! Ik kreeg laatst een berichtje van Grunberg: ‘wat vind jíj nou van de complottheorieën van George van Houts?”

Als Arnon dat wil weten, moet-ie zelf maar naar De Smoeshaan komen.

De man die ten onder gaat. Het posttraumatisch proza van Philip Roth (1933-2018)

CULTUUR

Rob Schouten 

Philip Roth behoorde tot de meest gelauwerde schrijvers van Amerika. © AP
NECROLOGIE

In één week raakte de Amerikaanse literatuur twee van haar gezichtsbepalende auteurs kwijt. Na vorige week de rechts-conservatieve dandy Tom Wolfe, nu de links-progressieve Philip Roth.

De dood van Roth, die gisternacht op 85-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Manhattan overleed, berooft de wereld niet alleen van een van haar belangrijkste en meestgelezen schrijvers maar ook van een jarenlang geheide Nobelprijskandidaat die de prijs evenwel nooit ontving vanwege de anti-Amerikaanse stemming onder de Zweedse juryleden, zoals dat overigens ook grote schrijvers als Vladimir Nabokov en John Updike overkwam. En dat terwijl hij enkele werken schreef die tot de belangrijkste van de Amerikaanse en de Westerse literatuur behoren, waaronder ‘Portnoy’s complaint’ (‘Portnoy’s klacht’) uit 1969 en ‘The plot against America’ (‘Het complot tegen Amerika’) uit 2004.

Philip Milton Roth werd in 1933 geboren in Newark, New Jersey, in een liberaal joods middenstandsgezin. Steeds opnieuw koos hij in zijn werk zijn eigen achtergrond als uitgangspunt, bijna al zijn hoofdpersonen uit de meer dan dertig romans die hij schreef stammen uit het jaar 1933 en uit het ietwat morsige industriestadje Newark. Niettemin maakt hij er steeds weer een ander personage van, met nieuwe ervaringen en gevoeligheden, alsof zijn eigen biografie almaar nieuwe aspecten en perspectieven bood.

In de biografie ‘Roth’ die Claudia Roth Pierpoint (geen familie) schreef, laat ze aan de hand van zijn oeuvre dat ze vergelijkt met allerlei familie-anecdotes, zien hoe Roths vaak controversiële literatuur steeds opnieuw voortkomt uit zijn biografie. Tegelijkertijd beschreef hij zijn eigen wereld scherper en toegespitster dan ze in werkelijkheid was.

Xenofobie

Hoewel Roths joodse afkomst prominent in zijn boeken doordringt, beschouwde hij zichzelf niet als een joods maar als een Amerikaans schrijver. In die hoedanigheid ventileerde hij in zijn boeken en daarbuiten uitgesproken ideeën over de Amerikaanse politiek en de maatschappij. Met onder meer de satire als wapen waarschuwde hij keer op keer tegen de xenofobie en het conservatisme in het beloofde land van de emigranten, die zijn eigen grootouders ook nog waren.

Aanvankelijk maakte Roth vooral naam als schandaalschrijver, die in de jaren zestig de Amerikaanse pudeur opschudde. Zijn iconische roman Portnoys complaint, de biecht van een joods-Amerikaanse 33-jarige man tegen zijn psychiater over zijn seksuele obsessies, trok vooral vanwege de expliciete passages veel aandacht.

Niet alleen positieve aandacht overigens, met name de joodse gemeenschap was weinig gesticht door dit staaltje van vermeende joodse zelfhaat: ‘Portnoy’s Complaint is het boek waarop alle antisemieten hadden zitten wachten, erger dan De protocollen van Zion’, schreef Gershom Scholem in de Israëlische krant Haaretz. In de jaren zestig golden passages over Alexander Portnoys dwangmatige masturbatie in openstaande pakken melk, stukken lillende lever die in de koelkast liggen en de bh van zijn zus nog als buitengewoon ongepast. Zelf verklaarde hij zich in die tijd tot een ‘slave of the cunt’. Milan Kundera, wat academischer, noemde Philip Roth ooit ‘de geschiedschrijver van de erotiek’. Met Portnoys complaint was Philip Roths naam in elk geval gemaakt.

Ook in andere romans, zoals ‘Professor of Desire’ (‘Professor in de begeerte’, 1977) spelen mannelijk lustgevoelens een belangrijke rol. Maar wie alleen naar de erotomanie van Roths hoofdpersonen kijkt zit er naast. De overgave van Roths hoofdpersonen aan hun lustgevoelens maken in feite deel uit van een groter gevoel van menselijke onmacht en aards-lichamelijke overmacht: ‘Onzuiverheid, wreedheid, mishandeling, vergissingen, stront, zaad – er is geen andere manier om op aarde te zijn’, schrijft hij in ‘The human stain’ (‘De menselijke smet’).

Onheilsprofeet

Maar gaandeweg ontwikkelde Roth zich van omstreden provocateur en opschudder der Amerikaanse zeden tot een cultuurcriticus, een onheilsprofeet, enigszins in de trant van wat Umberto Eco ooit de ‘apocalyptici’ van onze tijd noemde. Wie dacht dat zulk ondergangsdenken voorbehouden is aan de elitaire, behoudzuchtige high-brows, vergist zich. Philip Roth belichaamde met zijn afkeer van riooljournalistiek, verkoopcijfers en plat effectbejag een nieuw soort linksheid, dat niet alleen de onverlichte machthebbers gispte maar ook de oogkleppenwereld van de gewone man.

Vooral zijn laatste boeken getuigen van een diep gevoelde onvrede met de Amerikaanse maatschappij en cultuur. In het meesterwerk ‘Het complot tegen Amerika’, een treffend voorbeeld van if-history, en een van de meest indrukwekkende boeken die ik deze eeuw las, beschrijft Roth wat er van Amerika terecht zou zijn gekomen als in plaats van Roosevelt de met nazi-sympathieën besmette piloot Charles Lindbergh het land door de Tweede Wereldoorlog had geleid. Het is een soort alternatieve autobiografie over de jongetjes Roth, Philip en zijn broer, die opgroeien in een wereld vol toenemende antisemitische terreur. Tot een echte holocaust komt het niet, daarvoor was Roth realistisch genoeg, maar het is juist die sfeer van onzekerheid, te vergelijken wat wat joden in Europa aan het begin van de nazi-terreur voelden, die Roth meesterlijk heeft getroffen en die je bijblijft.

Het complot tegen Amerika is een angstaanjagende dystopie, goed passend in het door Roth verafschuwde Bush-tijdperk. Hij had het ook vandaag de dag, onder Trump kunnen schrijven maar Roth had, gedesillusioneerd, al in 2012 zijn pen neergelegd. Hij had het gevoel dat de literatuur er niet meer toe deed.

Karakteristiek voor Roths teleurgestelde engagement is wat zijn veelgebruikte literaire alter ego Nathan Zuckerman in zijn late roman ‘Exit ghost’ (‘Exit geest’) de nieuwsmakers onder de neus wrijft: ‘De cultuurjournalistiek van uw krant – hoe meer ervan is, hoe slechter de kwaliteit. Zodra je je begeeft in de ideologische simplificaties en biografische minimalisme van de cultuurjournalistiek, gaat het wezen van het kunstwerk verloren. Uw cultuurjournalistiek is boulevardjournalistiek vermomd als belangstelling voor “de schone kunsten”, en alles wat er door wordt aangeraakt, wordt gereduceerd tot iets wat het niet is. Wie is die beroemdheid, wat is de prijs, wat is het schandaal? Welke zonde heeft de schrijver begaan, en niet tegen de eisen van de literaire esthetiek, maar tegen zijn of haar dochter, zoon, moeder, vader, echtgenoot, minnaar, vriend, uitgever of huisdier.’

Grote drie

Zijn allengs gevestigde naam als ideeënman en cultuurcriticus verheelt niet dat Philip Roth in de eerste plaats een geweldige, soepele en indrukwekkende schrijver was, die samen met Saul Bellow en John Updike zoiets als de Amerikaanse Grote Drie vormde. Zo raak als hij in zijn vroegere romans de met zijn (on)vrijheid worstelende jonge en middelbare man schilderde, zo zette hij in zijn latere jaren indringende beelden neer van de ouder wordende man. Opvallend is trouwens dat Roth vrijwel nooit vrouwelijke hoofdpersonen schiep. Zijn ex-vrouw Claire Bloom beschreef hem, niet mals, als een ‘egocentrische vrouwenhater’ – en het moet gezegd, vrouwen komen in zijn werk vooral voor als lustobjecten.

In het toneelstuk dat in Exit geest een rol speelt, vraagt de oude verliefde man aan de jonge meid: ‘Geven je borsten je zelfvertrouwen? Zij: ‘Ja’. Hij: ‘Hoe komt dat?’ Zij: ‘Dat mijn borsten me zelfvertrouwen geven? Ik weet dat ik iets heb wat mensen mooi vinden, waar mensen jaloers op zijn, wat mensen zich wensen. Het vertrouwen hebben dat je gewenst bent – dat is zelfvertrouwen.’ Hier spreekt de minder opgewonden, quasi-onderzoekende, maar in feite met onverminderde hormonale belangstelling toegeruste, wat aftandse opa Zuckerman/Roth. Ook het beeld van de dominante moeder in Portnoys complaint werpt geen erg gunstig beeld op de vrouw. Onder feministen had de schrijver dan ook bepaald geen goede naam.

Daarentegen zijn zijn beschrijvingen van teleurgestelde mannelijke zestigers en zeventigers, die ooit dachten dat de seksuele en maatschappelijke dageraad zou aanbreken maar die nog slechts plat consumentisme en populisme om zich heen zien, even scherp als tragisch en herkenbaar. ‘Oud worden is geen strijd; oud worden is een slachting’, bedenkt Alleman in de gelijknamige roman als hij voor de zoveelste keer in het ziekenhuis belandt en zich realiseert dat het verleden geen enkel garantie op succes biedt. Claudia Roth Pierpoint vat de hoofdpersoon van al Roths romans krachtig samen als ‘De geslagen man, de kwetsbare man. De man die ouder wordt, die lichamelijke gebreken begint te vertonen, die zijn kunst niet meer kan bedrijven. De man die ten onder gaat.’

Met z’n diep gevoelde illusieloosheid geeft Roth in zekere zin de neergang van de generatie uit de jaren zestig weer. Het enige wat nog rest is iets als wijsheid en inzicht. Je zou zijn laatste boeken kunnen rekenen tot de posttraumatische bezinningsliteratuur die Amerika na de deuk in het collectieve en individuele zelfvertrouwen na 9/11 heeft opgeleverd. Maar dat trauma was in feite al veel eerder ingezet, bijvoorbeeld met het oorlogsdebacle in Vietnam, waarvan Roth de gevolgen beschreef in ‘American pastoral’ (‘Amerikaanse pastorale’), een boek dat samen met ‘Ik was getrouwd met een communist’ en ‘De menselijke smet’ wel de American Trilogy wordt genoemd: ‘Hij had de moeilijke les geleerd die het leven ons kan leren – dat het geen zin heeft.’

Philip Roth behoorde tot de meest gelauwerde schrijvers van Amerika, in 1997 ontving hij de Pulitzerprijs, twee keer ontving hij de National Book Award en voor Het complot tegen Amerika kreeg hij de Society of American Historians Award voor ‘de meest bijzondere historische roman over een Amerikaans thema in 2003-2004’. Onder het bewind van Clinton werd hem verder in 1998 de National Medal of Arts opgespeld. Maar de Nobelprijs, dit jaar sowieso niet uitgereikt, ontging hem dus telkens. Zeer ten onrechte en nu ook nog eens definitief.

Lees ook: Tom Wolfe, de grondlegger van ‘New Journalism’, is overleden

Hij maakte eerst de journalistiek literairder en daarna de literatuur journalistieker. De aanpak van de vorige week overleden Amerikaanse journalist en schrijver, Tom Wolfe, sprak tot de verbeelding en kreeg navolging in binnen- en buitenland. 

“China’s biggest nightmare : ” North Korea having a closer relationship with the United States and South Korea than it does with China.”

Trump to meet South Korea’s Moon amid signs that partnership is faltering on North Korea


South Korean President Moon Jae-in, right, shakes hands with President Trump during a joint press conference at the presidential Blue House on Nov. 7 in Seoul. (Chung Sung-Jun/Getty Images)
May 21 at 6:51 PM

President Trump will meet with South Korean President Moon Jae-in at the White House on Tuesday amid signs that his close partnership with Seoul in brokering a historic nuclear deal with North Korea’s Kim Jong Un is faltering.

Moon’s top aides presented Trump in March with the invitation from Kim to hold the unprecedented summit, an offer Trump accepted on the spot. But Moon’s visit to Washington coincides with renewed tensions on the Korean Peninsula that have cast doubt on the fate of the meeting, scheduled to take place in Singapore next month.

Trump advisers have expressed alarm at Pyongyang’s hostile rhetoric and actions over the past week, questioning whether Kim is committed to pledges to seriously discuss denuclearization. The president, who spoke to Moon late Saturday, is expected to further press the South Korean leader on his views of Kim’s willingness to change course on his nuclear program, a White House official said.

“This time last week, Moon was coming here with the intention of trying to heavily script what Trump would do in his meeting with Kim,” said Victor Cha, who served as senior Asia director at the National Security Council in the George W. Bush administration. “Now, he’s coming here just to try to save the summit. The mission has really changed.”

For Moon, who has staked his presidency on the peace push, the White House visit, scheduled weeks ago, represents a crucial opportunity to soothe Trump’s concerns and, perhaps, readjust his expectations about the potential outcome.

Trump has consistently raised public expectations over the summit, suggesting he would be able to secure a historic breakthrough with Kim where previous administrations have failed over 27 years of off-and-on negotiations and several past deals that quickly collapsed.


A banner showing President Trump, right, South Korean President Moon Jae-in and North Korean leader Kim Jong Un, left, is displayed in Seoul in April. (Ahn Young-Joon/AP)

Yet the North Koreans, after taking steps to build confidence, including Kim’s announcement that his regime would destroy a nuclear testing site, have reverted to threats to cancel the summit over objections to U.S.-South Korea joint military exercises and hard-line statements from Trump aides.

“Moon has to come in as assuager-in-chief and massage the situation between Trump and Kim,” said Jung Pak, a former CIA official who now serves as an Asia analyst at the Brookings Institution. “North Korea’s comments really have thrown some obstacles in the way of what seemed to be going pretty smoothly.”

With just three weeks until the June 12 summit with Kim, major questions remain unresolved, including the agenda for the talks and logistics over the site for the meeting. White House aides declined to answer questions about what Trump planned to discuss with Moon.

Moon is scheduled to spend less than two hours at the White House, and he and Trump are not planning a joint news conference or public statement, according to aides.

The two leaders intend to “continue their close coordination,” said Robert Palladino, a National Security Council spokesman.


North Korean leader Kim Jong Un, right, shakes hands with Secretary of State Mike Pompeo in this May 9 photo released by North Korea’s Korean Central News Agency (KCNA) in Pyongyang. (KCNA/Reuters)

Moon has played a major role in Trump’s sharp turn from a war of words with Kim to the precipice of a possible summit. Alarmed at the escalating threats between the United States and North Korea last year, Moon intervened, using the Winter Olympics in South Korea in February to open new talks with Pyongyang that led to Kim’s offer to meet with Trump.

Yet Trump’s decision to accept the offer without vetting it — he sent South Korean officials out to announce the news to reporters assembled in the West Wing driveway — has led to an accelerated timeline that some analysts have called a mistake.

With limited time to prepare, the Trump administration has struggled to work out key details with their Pyongyang counterparts. Neither side has explicitly defined their views of what denuclearization of the Korean Peninsula would look like, and Trump has at times contradicted his aides.

Last week, after Pyongyang lambasted national security adviser John Bolton for suggesting that the North would be expected to unilaterally relinquish its nuclear program, Trump undercut Bolton during impromptu remarks at the White House.

The president declared that Kim would be offered a deal that would make him “very, very happy.”

The question, analysts said, is how much responsibility Moon bears for feeding Trump’s unrealistic expectations — or whether Trump has failed to be properly skeptical amid talk from his supporters that he could win a Nobel Peace Prize if he strikes a deal in Singapore.

“I don’t think Moon manipulated Trump. I think that Trump is guilty of some self-delusion here,” said Frank Jannuzi, who is president of the Mansfield Foundation and made three trips to Pyongyang from 2001 to 2008 while serving as a Democratic aide on the Senate Foreign Relations Committee.

“Trump allowed himself to believe that denuclearization was on Trump’s terms,” Jannuzi said. The goal for Moon, he added, is to act as a “cheerleader” and convince Trump that “he can do a deal for peace and denuclearization and that it can be historic, but that it must be realistic. And in order for it to be realistic, Trump is going to have to appreciate that denuclearization will take time and that that’s okay.”

Moon is not the only other foreign leader with a major stake in the Trump-Kim summit. White House officials have expressed frustration over China’s influence on Kim, suggesting that Pyongyang shifted back to a more belligerent tone after Kim’s second visit to Beijing to meet with President Xi Jinping.

In a tweet Monday morning, Trump warned China to remain “strong and tight” in enacting economic sanctions imposed by the United Nations on North Korea, arguing that the border between those two countries “has become much more porous.”

“I want this to happen, and North Korea to be VERY successful, but only after signing!” Trump wrote.

Bonnie Glaser, a China analyst at the Center for Strategic and International Studies, said Beijing would prefer that the U.S.-North Korea talks move forward lest Trump and Kim fall back into mutual threats of a military confrontation. But she said Xi is intent on ensuring that a potential deal does not shift Pyongyang away from Beijing’s influence.

“China’s biggest nightmare,” Glaser said, “is North Korea having a closer relationship with the United States and South Korea than it does with China.”

%d bloggers like this: